Het net sluit zich rond Aelt Stevensen ‘Kloekhals’

vervolg van ‘Het gat van Putten’(1)

Tijdens de nadagen van de horigheid worden bezitters van horige goederen geleidelijk aan eigenaars. Tot het einde van de 18e eeuw zijn de Duitse kloosters van Paderborn en Elten nog de eigenaars van tientallen horige goederen, die voornamelijk in Putten, Nijkerk, Ermelo en Voorthuizen te vinden zijn. Veel van de oude horige verplichtingen waren in natura maar zijn omgezet in geldelijke betalingen. Het bezit van een horig goed is feitelijk een levenslange erfpacht geworden, die kan vererven op de kinderen. De jaarlijkse hoofdtins, een personele belasting, en stedigheden, zoals de tweejaarlijkse afdracht van een deel van de oogst, dienen nog wel steeds op tijd betaald te worden. Dat geldt ook voor de zesjaarlijkse oprukking (zes jaar uitstel voor de bezitter om horig te worden naar de natuur van het goed) en de keur of het versterf (het beste stuk uit de nalatenschap van de bezitter, meestal de waarde van een paard of een koe) van de overleden horige. Ook wanneer het goed door de bezitter geheel of voor een deel wordt verpand aan geldschieters voor het verkrijgen van een lening kan dat niet buiten het klooster om. Er dient betaald te worden voor de registratie van de verpanding. Aan het begin van de 18e eeuw ondervond Aelt Stevensen hoe snel zijn schuld kon oplopen toen hij niet steeds op tijd voor al deze oude verplichtingen van de horigheid kon of wilde betalen. De horigheid was misschien in zijn nadagen, maar nog lang niet verdwenen.

Aelt Stevensen woont in de buurschap Halvinkhuizen. Hij is de zoon van Steven Aelts en Aeltjen Willems (1). Hij bezit een tweetal hofhorige goederen. Het ene goed is een deel van het erf ‘het Grote Hoge Eind’ dat vroeger ‘Grovenpael’ werd genoemd. Dit goed is eigendom van het klooster Paderborn, een zogenaamd abtsgoed. Het andere  goed is ‘Westphalingsgoed’. Dat is een goed van het klooster Elten, een zogenaamd vrouwengoed (2). Beide goederen zijn afkomstig van zijn moeder Aeltjen Willems. Haar vader Willem Aerts, haar oom (Steven Aertsen) en twee tantes (Metje en Geertje Aertsen) bezaten ieder een vierde deel van deze goederen. Als oudste bezit Willem Aerts ook de zaalweer van beide goederen. Hij is de hoofdbezitter en verantwoordelijk voor het (financiële) beheer van de goederen. Deze verdeling met zijn broer en zussen had Willem moeten regelen met toestemming van beide kloosters. Bovendien was er lange tijd voor de meeste verplichtingen die het bezit van deze goederen met zich meebrengen niet betaald.

Wanneer na de dood van zijn moeder Aelt Stevensen in 1721 in het bezit van beide goederen komt, begint hij dan ook met een forse schuld. Voor de achterstallige betalingen van hoofdtins, stedigheden, oprukkingen en versterven moeten namelijk ook boetes betaald worden. Vaak worden de betalingen daardoor verdubbeld. Daar komt nog bij dat ook Aelt deze goederen tussen hem en zijn broers en zusters verdeeld zonder toestemming van beide kloosters. Volgens de hofhorige rechten zijn zij daarom niet alleen een boete schuldig maar ook vervalt door deze handelswijze hun gezamenlijk bezit van deze twee goederen aan de kloosters.

De gevolmachtigde van het klooster Elten voor het beheer van de vrouwengoederen is de heer Johan Hendrik van Schlaun. Hij is drost van Elten en verblijft op de Kemna in Appel. De Kemna is de hof van het klooster Elten waar de administratie van de goederen die op de Veluwe liggen plaatsvindt. Christiaan Reherman is kelner op de kelnarij te Putten. Dit is de hof van het klooster Paderborn voor het beheer van haar Veluwse goederen in Putten en omgeving. Reherman en Van Schlaun dagen Aelt Stevensen daarom voor het Hof van Gelderland. Op 17 december 1750 veroordeelt dit Hof Aelt voor zijn vele ‘misbruiken’ van beide goederen. Hij zal zich moeten kwalificeren als hoofdbezitter van beide goederen en nieuw consent moeten vragen van de oprukkingen en de misbruiken sinds 1727 betalen (zie tabel 1). Zolang hij dat niet gedaan heeft zullen de eigenaars zich de opbrengsten van het land toe eigenen. Het net rond Aelt Stevensen begint zich te sluiten.

Specificatie van stedigheid, tins, oprukking, keuren, consenten betreffende het volschuldig hofhorig abtsgoed Half Grovenpael schuldig aan de kelnarij guldens-stuivers-penningen
Aan stedigheid  ½ spint rogge; 1748-1750 3-2-2
Aan tins 6 duiten jaarlijks; 1748-1750 0-2-4
Uitgezonderd de jaarlijkse stedigheid van Westphalingsgoed à 1 schepel, 1 spint en 1 beker rogge; 1748-1750
4 april 1745: oprukking 18-10-0
4 april 1751: oprukking 18-10-0
1748: Aelt Stevensens vrouw overleden, de keur is een koe ter waarde van 60 gl, gezet op 53-0-0
15 mei 1694: ¼ deel in pandschap aan Hertger Ponsteen voor acht jaar met consent. Op 15 mei 1702 geëxpireerd en zou sindsdien zes maal vernieuwd moeten worden voor 18-18-0 per keer; daarvoor gezet 48-0-0
23 maart 1699: 1/8 part in pandschap aan Rende Jacobs Creen en Aeltje Evers van Klinckenberg met consent voor zeven jaar. Op 23 maart 1706 geëxpireerd en zou tot 1732 vier maal vernieuwd moeten zijn voor 18-18-0 per keer; zal alleen gezet worden op 26-0-0
30 juni 1732: de pandbrief verkocht; consent voor zes jaar 18-18-0
30 juni 1738: tweemaal vernieuwing van consent voor deze pandbrief, allen gezet 12-0-0
12 augustus 1699: ¼ part – 1/7 deel verpandt aan Rende Jacobsen en Aeltje Evers met consent voor zes jaren. Op 12 augustus 1705 geëxpireerd en zou sindsdien zeven maal vernieuwd moeten tot 1750 samen 132-6-0; zal alleen gezet worden op 45-0-0
subtotaal 243-2-6
Onkosten voor consent van de pandhouders 6-17-10
Is samen 250-0-0
Onkosten voor het verschijnen en de uitspraak aan het Hof, extracten, etc. nog zonder de door de kelner betaalde verpondingen 600-0-0

Tabel 1. Misbruiken van Aalt Stevensen anno 1750/51.

Tijdens het proces komen er nog meer misbruiken naar voren. Zo was de verkoop van hout door de broers en zusters van Aelt Stevensen, dat afkomstig was van een perceel bos in het Sprielderbos, onrechtmatig. Dit perceel deel maakte deel uit van de landerijen die tot Westphalingsgoed behoren en valt daarmee onder het hofrecht. Op 23 oktober 1726 verkochten Aert, Evert, Wijnick en Wilm Stevensen, item Aert Willemsen ‘als getrout aen’ Nijsgen Stevensen en Wulfert Francken ‘als getrout aen’ Wilmtgen Stevens, aan hun broer en zuster Gerrit Stevens en Gerritgen Henricks een vierde part en dan nog ieder haar portie van een vierde part van drie vierde parten van een hoeve ‘holts in Sprielderbosch, alsmede het heggehout staande om een camp lants groot omtrent ses scepel gasaijs (zes schepel zaailand) genaemt den Bree en ‘t holt t’gene staet opt goetgen het Hooge Eijnde genaemt’ voor 157 gulden. Behalve het hout uit het Sprielderbos behoorde dat rond ‘de Bree’ en ‘het Hooge Eind’ ook tot de horige goederen.

Via een ‘peinding’ (beslaglegging) proberen Van Schlaun en Reherman de achterstallige betalingen alsnog te innen. De peinding van de ‘gerede’ goederen van Aelt Stevensen levert geen resultaat. Er valt niets van waarde uit zijn huis te halen. Op gezag van de landdrost van Veluwe, Lubbert Adolph Torck, vrijheer van Rosendael en Petkum wordt hij op 22 januari 1751 ten overstaan van de geërfde gerichtslieden Anthonij van Diermen en Evert Beertsen ‘gepeind’ aan zijn ‘ongerede’ goederen. Deze betreffen al zijn landerijen die onder beide goederen vallen: 1o de Havercamp, 2o de Lange Voor, 3 o de Nijencamp, 4 o het agterste Hoog End, 5 o ’t agterste Hoog End over de wegh, 6 o de Spruijten Bree, 7 o de Vlastroet, 8 o de camp bij het Huijs, 9 o de Burck, 10 o de Lange Akkers,  11 o de Arien Akker, 12 o een stuck land bij Poepenburg bij de molen, 13 o een stuck land digte bij de vorige genaemt de Ses Schepel, 14 o den Beirn,  en 15 o het huis dat door Aelt Stevensen bewoond wordt.

Via deze peinding hopen de eigenaren allereerst te bewerkstelligen dat Aelt Stevensen zich naar het goed kwalificeert en nieuwe toestemming verzoekt voor een oprukking van zes jaar. Daarmee wordt afgedwongen dat hij behalve voor de oprukking ook weer gaat betalen voor de (hoofd)tins, stedigheid, tiende en de jaarlijkse verponding verbonden aan deze goederen. Ook zal na zijn dood de keur van hem en zijn vrouw door de nakomelingen betaald moeten worden. Ten tweede willen de eigenaren Aelt Stevensen laten betalen voor al de verplichtingen die hij sinds 1727 niet is nagekomen, zoals van oprukking, tins, stedigheid, tienden en versterf. Omdat Aelt Stevensen voor 6 april 1751 geen ‘pandkering’ (verweer tegen beslaglegging) doet tegen deze peinding wordt de eerste ruiming (in beslagname) in gang gezet. Net zo als van de peinding wordt Aelt Stevensen van deze voorgenomen ruiming schriftelijk op de hoogte gesteld. Deze ruiming heeft echter geen effect. Aelt Stevensen verzet zich niet en niemand schiet hem financieel te hulp. Op 14 mei 1751 volgt dan de aankondiging van de tweede ruiming. Ook de tweede ruiming haalt niets uit. De autoriteiten gaan vervolgens over tot de derde en laatste ruiming. Aelt Stevensen wordt daarvan op 26 juni 1751 verwittigd.

De eigenaren, de Abdis van Elten en de Abt van Paderborn, worden in hun rechten bevestigd en verkrijgen op 1 juli 1751 een ‘verwinsbrief’ van de landdrost. Dat wil zeggen dat zij beide goederen geheel in eigendom hebben gekregen. Vervolgens schrijft de landdrost op 4 juli 1751 een verbodsbrief die hij in de kerk van Putten laat aflezen. De verbodsbrief wordt op 25 juli in Putten door onderschout Lieffert Staal gepubliceerd. Een ieder die deze goederen gebruikt of ‘becrodigt’ (aan zich trekt) zonder medeweten van Van Schlaun en Reherman worden beschouwd als ‘geweldenaar, die verwapening’ gedaan heeft en wederrechtelijk bezit heeft genomen van andermans eigendom.

In het archief van de kelnarij (2) bevindt zich een conceptbrief aan de landdrost waarin de kelner klaagt over Aelt Stevensen, die in de wandeling ‘Kloekhals’ genoemd wordt. Hij klaagt bovendien over de tegenwerking door onderschout Lieffert Staal, die toch beter moet weten van de rechten van de kelner en de drost op de horige goederen omdat hij zelf de verbodsbrief publiek heeft gemaakt.

De advocaat van de Abdis van Elten en Abt van Paderborn, mr. Otto Dijckhuijsen Wakker, neemt daarop op de 29ste juli 1751 het huis en hof en verder enige landerijen van Aelt Stevensen in bezit. Hij doet dat  met de hierbij gebruikelijke symboliek: ‘en sulcks mit keeren en vegen op den haard, op en neerschorten van’t haal, op en toedoen van vensters en de deur, snoejen, pooten en spitten in den Hoff’. Aelt heeft zelf de verschillende landerijen, zoals hierboven genoemd, moeten aanwijzen.

hoge-eind-1880-crop_zwart-wit

Figuur 1. Detail van kadaster kaart, sectie M Halvinkhuizen, blad 1 met ligging van Het Hooge Eind.

Vervolgens worden beide goederen op 19 juli 1751 door Van Schlaun en Reherman als nieuwe eigenaren verhuurd aan Aelt, nadat hij heeft verklaard het ‘verwin’ in al zijn details te aanvaarden. Zij hebben bedongen dat zij elk jaar behalve de tiende in plaats van stedigheden de vierde garf (dus 25 procent) van de oogst zullen genieten, die Aelt op de Kelnarij moet brengen. Het heggenhout en hout in het bos zullen zij verkopen om daaruit inkomsten te krijgen. De pacht betreft het lopende jaar 1751 en zal doorlopen zolang Aelt Stevensen het land bemest, bezaaid en gebruikt tot genoegen van de verwinhebbers. Zodra na een jaar de huur afloopt dient Aelt te vertrekken.

Op 4 december 1751 schrijft Van Schlaun vanuit de Kemna aan Reherman dat Aelt Stevensen bij hem is geweest met het verzoek hem te helpen bij het gebruik van Westphalingsgoed. Daarvoor wil Aelt uitstel van de bedongen betaling van 35 schepel boekweit. Van Schlaun heeft zowel het ene als het andere verzoek afgeslagen, tenzij Aelt een borg voor de pacht en zijn goed gedrag kan stellen. In dat geval zal Van Schlaun zien wat hij kan doen. Ondertussen zal hij de publieke bekendmaking over de verpachting van het Westphalingsgoed laten doorgaan. Daarop heeft Aelt gezegd dat van de twee kampen land die naast Spruijten Bree liggen en ook Spruijten Bree genoemd worden, het ene is verpand aan Wouter Gerritsen en het andere toebehoorde aan zijn broers en zusters kinderen. Verder dat het Hietveld was gekocht door zijn vader net zo als dat land dat hij weer aan Van Diermen heeft overgedaan. Het hout in het Sprielderbos behoort de Harderwijkse tak van zijn familie en dat hij niet wist dat dit tot een van de hofhorige goederen behoorde. Ook zei hij dat advocaat Wakker hem had beloofd dat de knecht en de maagd huur wilden betalen en dat hij aan Van Schlaun daarover zou schrijven. Verder schrijft Van Schlaun aan de kelner dat hij nog vernomen heeft dat een stuk land van een halve schepel tot de hofhorige goederen hoort en gebruikt wordt door Hendrik Pater, en een ander stuk van twee schepel door Lamert timmermans Wouter, en nog drie schepel door Wijn Jansen. Van Schlaun wil dat de kelner dit weet. Aankomende donderdag heeft hij gereserveerd voor de verpachting en hoopt hij de kelner nader te spreken. Duidelijk moet worden of het kapitaal van 200 gulden waarmee het huis bezwaard is naar de wet is vastgelegd in dit goed en of de obligatie in het protocol van bezwaar (hypotheek register) is geregistreerd. Onderaan zijn brief schrijft Van Schlaun: ‘Noch een acker ad 5 scepel vercofft voor eenige jaren aan Wijn Jansen. Item een stuck lands Het Duimken genaamt bij de Lange Ackers’. De brief voegt dus wat nieuwe percelen toe aan het lijstje van landerijen behorende bij Westphalingsgoed en Grovenpael.

Van Schlaun schrijft op de 14 december aan de kelner dat hij aan Aelts broer, Willem Stevensen, Westphalingsgoed verpacht heeft. Tegelijkertijd heeft hij tussen Aelt en Willem een schriftelijk contract gemaakt waarbij Aelt zijn huis aan Willem overdraagt om als zijn bezit te gebruiken gedurende de verwinsjaren. Bovendien zal Willem Aelt in de kost nemen en naar zijn vermogen verplegen.

Aanvankelijk betaalt Aelt de tiende nog van enkele van zijn tiendplichtige landerijen. Ook heeft hij de vierde garf gebracht naar de kelnarij. Toch stopt Aelt met het betalen van de pacht ondanks aanmaning om door te gaan. Wel gaat hij op 13 mei 1752 akkoord met het verhuren van Westphalingsgoed aan Aert Willemsen, zijn zwager. Hij verkoopt hem het zaad op het land, twee paarden en een koe, een pink, twee wagens, een ploeg en een paar eggen en ander gereedschap die tot het goed behoren voor 100 ‘daelers’. Bovendien verhuurt hij zijn huis met schuur, hooiberg en bijbehorende goederen aan Aert Willemsen met ingang van ‘Petri 1753’en ziet dus van zijn eigen huur van dit goed af. In 1752 hebben zodoende Aert Willemsen en de zijnen het land gebruikt zonder iets af te dragen aan de verwinhebbers.

In 1752 laat drost Van Schlaun Aelt Stevensen nog eens een lijstje maken van al het land dat onder Westphalingsgoed behoort. Al eerder had advocaat Wakker een dergelijk lijstje van beide goederen. De complete lijst is opgenomen in tabel 2.

Grovenpael (1750) 11. een stuck de Bree ad ses scepel 12. den boomgaard en het campje met de huijsplaats ad omtrent twee scepel 13. een stuck of twee hoeken lands omtrent drij scepel neffens kelnerijland, gebruikt wordende bij Antonie van Diermen 14. het Hietveldt, daar het schot heeft gestaan groot omtrent twee scepel, waarvoor nuw bruijker is Gisbert Brom 15. een stuck ad omtrent twee scepel bij Reijer Aartsens schot, wordende gebruikt bij Wouter Lammerse 16. een stuck g[enaam]t Vetcamp ad omtrent vijf scepel gelegen aen het Putterveldt, waar van tegenswoordig bruijker is Wijn Janssen 17. de Hietakker ad omtrent een scepel, waarvan tegenwoordig bruijker is Henderik Beersens wede. 18. een stuck de Bruidakkers omtrent vier scepel nuw gebruijkt wordende bij Wouter Hendriksen. 19. Een hoeve plaggeveldt op Halvinkhuijserbrink en een vierde van een Hoeve op Hunnerbroick. 20. drij vierdel van een hoeve in Sprielderboss

([GA AKP] inv. nr. 129, num C).

1. de Haverkamp groot 8 schepel gesaaij 2. de Lange Voor 6 schepel 3. de Nijenkamp 4 schepel met het houtgewas 4. het agterste Hoog End 6 schepel 5. het agterste Hoog End over de Hoge Wegh 4 schepel
Westphalingsgoed (1752)
1. de Spruijten Bree ad ses schepel, waarvan een stuck ad omtrent 1½ scepel tegenswoordig gebruikt word bij Wouter Gerritsen. 2. de Vlasstroet ad omtrent twee scepel 3. de camp bij het huis ad omtrent 3 scepel 4. de Burk ad omtrent twee scepel. 5. de Lange Akkers ad omtrent vijf scepels waarvan Gerritje Henderiks gebruijkt omtrent twee scepel gesaij 6. het Duimke bij de Lange Akkers ad omtrent 1 scepel gesaij gebruijkt wordende bij Wilm Stevensen. 7. de Arien Akker ad omtrent een scepel 8. een stuck aen de Poepenburg bij de mole 9. een stuck lands g[enaam]t de Ses Schepel, groot omtrent vijf scepel, bruiker Wijn Jansen. 10. den Beijer omtrent een scepel, wordende gebruikt bij Jacob Wijnen

Tabel 2. Landerijen behorende bij het het abtsgoed Grovenpael en het vrouwengoed Westphalingsgoed in Halvinkhuizen te Putten in 1750 en 1752 (een schepel is 100 roe is 1430 m2 ).

Gezamenlijk schrijven Schlaun en Reherman later in 1753 aan de landdrost een brief met aanklachten – ‘facti species’ met bijbehorende documenten – tegen Aelt Stevensen. Ondanks de verwinsbrief en de verbodsbrief heeft hij ook dit jaar ‘strafbare feitelikheeden’ begaan op en aan de hofhorige goederen Westphalingsgoed en Grovenpael. Die feitelijkheden betreffen voornamelijk:

  1. Het omhakken of laten omhakken van drie eiken en een peppelboom van Westphalingsgoed.
  2. Het ‘deerlijk’ snoeien of laten snoeien van heggen (houtwallen) en het inkorten met drie treden van enkele heggen op Grovenpael.
  3. Het in de zomer weghalen van elf vimmen rogge van de landerijen die onder de verwinbrief vallen. (een vim is een vrachtje van ca 100 bossen graan)
  4. Het eigenmachtig weghalen van veertien vimmen boekweit van deze verwonnen landerijen in weerwil van de door de verwinhebbers aangestelde Aart Willemsen als bouwman van de landerijen, die daar ook tegen heeft geprotesteerd.
  5. Het openlijk verzet tegen de verkoop van drie vierdel hout in het Sprielderbos op de ‘maalen deel dag’ ondanks zijn verklaring en die van zijn broer en zusters dat dit hout tot de verwonnen hofhorige goederen behoort.
  6. Het op ‘bedriegelijke wijse’ verkopen van een vierdel broekland in Huinerbroek dat tot de verwonnen hofhorige goederen hoort.
  7. Het voor zijn karretje spannen van de onderschout Lieffert Staal die verantwoordelijk was voor de naleving van de verbodsbrief door hem Aert Willemsen te laten aanzeggen dat hij de vierde garf op het land moest laten staan voor Aelt Stevensen.
  8. Het in herbergen en andere plaatsen belasteren van de verwinhebbers en dreigen alles op de verwonnen goederen om te hakken, houwen, weghalen, verpachten en verkopen.

Zo heeft bijvoorbeeld Wouter Lambertsen ongeveer twee schepel zaailand, die tot Westphalingsgoed horen, van Aelt Stevensens zwager Wulfert Franken kunnen huren. Vervolgens heeft Aelt alle boekweit die Aert Willemsen, als aangestelde bouwman, daarop gezaaid en gemaaid had in aanwezigheid van Lieffert Staal, zwager van Wouter Lambertsen, weggehaald. Wouter Lambertsen had beter moeten weten en was gewaarschuwd door Aert Willemsen om van de boekweit af te blijven. Aelt Stevensen zou zaad, hout en bomen naar Aert Willemsen terug moeten brengen. De landdrost moet volgens Van Schlaun en Reherman oordelen over wat Aelt Stevensen en zijn helpers aan straf verdienen.

In de ‘facti species’ verwijzen zij ook nog naar oudere vergrijpen. Het gerichtsprotocol vermeldt op 10 september 1741 een verpanding voor 75 gl. aan Gerritje Henricks, de weduwe van Gerrit Stevensen, zijn broer, van drie schepel ‘gesaijs’ van het perceel de Lange Akkers in Halvinkhuizen. Op 12 januari 1737 heeft hij aan Wijn Jansen 5 schepel land in het Putter veld, genaamd Vetcamp voor 60 gl. verkocht. Op 19 mei 1749 verkocht hij twee hoekjes zaailand in Halvinkhuizen aan Antonie van Diermen. Aelt wist dat deze landerijen tot de hofhorige goederen behoorden. Hij had dat zoals gezegd op 3 mei 1752 zelf verklaard (zie tabel 1). Kennelijk had Aelt Stevensen ook een huis laten bouwen op malengrond, nadat het huis dat op Eltense grond stond was afgebrand. Dit nieuwe huis behoorde niet tot de hofhorige goederen.

In 1754 maakt de kelner nog een lijstje op met de schade die de Abt en Abdis geleden hebben door de acties van Aelt Stevensen. De bouwman, Aert Willemsen, aangesteld door de kelnarij pacht de verwonnen goederen jaarlijks voor 60 schepel; voor de helft rogge en voor de andere helft boekweit. De bouwman heeft maar 9 schepel kunnen leveren. Dus Aelt dient nog 51 schepel te vergoeden. Wanneer de rogge op 1 gulden en de boekweit op 12 stuivers per schepel worden berekend bedraagt de waarde hiervan 40-16-0. Op Westphalingsgoed heeft Aelt minstens evenveel weggehaald. Dus hier wordt het totaal ook 40-16-0. De schade aan het heggehout wordt gesteld op 15-15-0 en die van de omgehakte bomen op Westphalingsgoed eveneens op 15-15-0. Plus alle bemoeienis van beide zijden 36-18-0. De totale schade bedraagt dus 150 gulden.

Met dit lijstje willen Van Schlaun en Reherman Aelt Stevensen voor het gerecht dagen Behalve de 150 gulden  eisen zij dat Aert Willemsen de bouwman op Westphalingsgoed zijn huishuur niet aan Aelt Stevensen betaalt, maar direct aan Van Schlaun en Reherman als verwinhebbers, want ‘gelt en goet hefft Aelt Stevensen niet.’ De landdrost wordt te hulp geroepen om de verwinhebbers en hun rechten op beide goederen te versterken. Aan het eind van hun brief aan de landdrost sluiten zij af met de melding dat zij ook nog de verponding van 3 december 1751 ad 110 gl en 16 penn. en de verponding ordinaris van 3 februari 1753 en de extra verponding van 1752 ad 23 gl 2½ st. en 12 penn. hebben betaald.

Waar dit toe heeft geleid? Na deze datum is er niets meer over Aelt Stevensen of andere pachters van deze goederen te vinden in het archief van de kelnarij van Putten. Mogelijk is Aelt Stevensen overleden, waarmee alle claims van de eigenaren zijn vervallen.

Bronnen

1. P.M. op den Brouw, Het Gat van Putten, De Graver mrt 2016, blz. 26.

2. Gelders Archief, 0234 Archief van de Kelnarij van Putten, inv. nr. 127 en 129.

3. Dit artikel is gepubliceerd: P.M. op den Brouw, Het net sluit zich rond Aelt Stevensen ‘Kloekhals’, De Graver dec 2016, blz. 9.

30 December 2016.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s