Het Hooge Eind of Groevenpael in Halvinkhuizen te Putten

Abstract

Aan de hand van de achtereenvolgende bezitters van het proost- later abtsgoed Groevenpael in de buurschap Halvinkhuizen te Putten zijn de horige rechten en plichten van de bewoners goed te demonstreren. Ook worden familieverbanden duidelijk die in de gangbare bronnen zoals doop- trouw- en begraafboeken vaak niet gevonden kunnen. Soms levert één akte uit een ‘horig’ archief in één klap meerdere generaties voorouders.

Inleiding

Onderzoek naar onze voorouders vóór 1800 begint meestal met het bestuderen van archiefbronnen, zoals doop- trouw- en begraafboeken (dtb). Wanneer deze bronnen volledig zijn en wanneer de voornamen, achternamen of patroniemen niet al te veelvuldig voorkomen kan vaak al snel een nieuwe generatie toegevoegd worden aan de voorouderreeks. Op de Noordwest-Veluwe dekt een gereformeerd doop- of trouwboek al gauw het grootste deel van de inwoners van plaatsen of dorpen af, waardoor de kans dat een nieuwe generatie voorouders onvindbaar is afneemt, tenzij die in een andere plaats of dorp gezocht moet worden. Dan dienen de bronnen van deze plaatsen of dorpen te worden onderzocht. Toch kan het onderzoek bemoeilijkt worden door het gebruik van veel voorkomende patroniemen zonder achternamen of door ontbrekende bronnen in deze tijd. Alleen afgaan op kandidaat voorouders op basis van patroniemen en vernoeming van kinderen is een hachelijke zaak. Dan wordt het moeilijker om te bepalen welk het juiste ouderpaar is van een verre voorouder.

Archieven die handelen over de horigheid, dat wil zeggen over horige personen en horige goederen, zoals boerderijen en land, vormen een belangrijk alternatief voor dtb-boeken. Zeker wanneer de horigheid wijdverbreid was, zoals op de Veluwe. ‘Horige’ archiefbronnen zijn gestoeld op genealogie. Immers de ‘horige status’ erfden kinderen van hun moeder als die horig was. De meisjes in het gezin van de horige moeder gaven die status weer door aan hun kinderen, enzovoort. Voor de ‘heer’ van die horigen was het belangrijk om de matrilineaire afstamming te kennen en vast te leggen. Horigen betekenen namelijk inkomsten voor de heer, zoals bijvoorbeeld hoofdtins, keurmede of versterf, die horigen of hun nabestaanden moesten betalen. Behalve deze persoonsgebonden verplichtingen bestonden er ook allerlei verplichtingen gekoppeld aan het horige goed of horige land dat een horige bezat. De heer had dus ook belang bij een goede registratie van de bezitters van zijn horige goederen en van hun aan het goed of de grond verbonden betalingen. Tot die verplichtingen behoren onder andere: het betalen van (grond)tinsen, tienden, stedigheid (jaarlijkse erfpacht als deel van de oogst), investituur of belening met het goed, oprukking, en dergelijke. Termen die verderop nog aan de orde komen. Het horig bezit ging bij voorkeur over van vader op zoon, eventueel op de dochter of een neef of nicht. Door de achtereenvolgende bezitters chronologisch op een rijtje te zetten wordt vaak een patrilineaire afstammingsreeks zichtbaar.

Het voordeel van de bestudering van ‘horige’ archieven is dat de onderzoeker regelmatig meerdere generaties voorouders in één enkel document kan vinden.

Horige goederen

Tijdens de nadagen van de horigheid op de Veluwe worden bezitters van horige goederen, zoals boerderijen en landerijen, geleidelijk aan eigenaars. Tot het begin van de 19e eeuw zijn de Duitse kloosters van Paderborn en Elten nog de eigenaars van tientallen horige goederen, die voornamelijk in en om Putten op de Veluwe te vinden zijn. In 1810 komen zij aan het kroondomein van het Koninkrijk Holland. Mede onder invloed van de Franse tijd is er een einde gekomen aan de rechten en plichten verbonden aan de horigheid. Vóór 1559 is nog een derde klooster, namelijk dat van Werden, een belangrijke eigenaar van horige goederen in dit gebied.

1. De Kelnarij of Hof van Putten van het Klooster Abdinghof te Paderborn (door Cornelis Pronk).

Veel van de oude horige verplichtingen waaraan de bezitters moesten voldoen werden in de late Middeleeuwen in natura afgedragen maar zijn in de daarop volgende eeuwen grotendeels omgezet in geldelijke betalingen. Het bezit van een horig goed is de facto een levenslange erfpacht geworden. Het goed kan vererven op de kinderen. De jaarlijkse hoofdtins, een personele belasting, dient nog wel steeds op tijd betaald te worden. Ook de ‘stedigheden’, zoals de tweejaarlijkse afdrachten van een deel van de oogst aan tarwe, rogge, gerst, haver of boekweit en de ‘tienden’, dienen op tijd voldaan te worden. Dat geldt ook voor de betaling van de zesjaarlijkse oprukking (zes jaar uitstel voor de bezitter om horig te worden naar de horige natuur van het goed wanneer hij niet horig is) en de keur of het versterf (het beste stuk uit de nalatenschap, meestal de waarde van een paard of een koe) van de overleden bezitter. Ook wanneer het goed door de bezitter geheel of gedeeltelijk wordt verpand aan geldschieters voor het verkrijgen van een lening kan dat niet buiten het klooster om. Er moet betaald  worden voor de registratie van de verpanding. In de 17e en 18e eeuw is de horigheid dan ook nog lang niet verdwenen.

2. ‘Groven guet, alias Grovenpaell, sive T’Hoge Ende, tantundem (evenveel als het voorgaande goed in de lijst, d.w.z. een half molder rogge aan stedigheid en een half vlaams groot aan thins). Hoc bonum appellat[ur] à suo antiquissimo possessore, ante centum annos et amplius Goesen Grovenn. Antiqua Registra habent van Grouen guet end Abelweijde. Possident Ecbert Jacobss, et Jan Artzen simul et indivisim. (Bladzijde uit Findbuch B608 426 Heffingen en Bewoners [STAMA]).

De kloosters hebben dus belang bij een zo nauwkeurig mogelijk administratie van het goederenbezit en de staat van hun horigen, keurmedigen en vrijen. Desondanks wordt de registratie in bepaalde periode sterk verwaarloosd, waardoor goederen en horigen ‘bijster’ raken. Van tijd tot tijd is er dan ook een opleving in de registratie en worden nieuwe overzichten van goederen en horigen aangelegd.[i]  Zodoende is het archief van deze kloosters rijk aan patrilineaire en matrilineaire genealogieën en historische gegevens.

Het horig abtsgoed Groevenpael

Aan de hand van de geschiedenis van het goed Groevenpael in de buurschap Halvinkhuizen te Putten zijn de horige verplichtingen goed te demonstreren. De boerderij Groevenpael met al het bijbehorend land en bos was na 1559 eigendom van het klooster Abdinghof te Paderborn in Duitsland. De goederen van dit klooster worden doorgaans ‘abtsgoederen’ genoemd. Daardoor zijn zij goed te onderscheiden van de goederen van het St. Vitusklooster of Vrouwenklooster te Elten in Duitsland, die ‘vrouwengoederen’ worden genoemd. De goederen in en om Putten van het St. Ludgerusklooster te Werden, dat eveneens in Duitsland is gelegen, werden verkocht en geruild met abtsgoederen te Renkum. Hierdoor speelde het klooster te Werden na 1559 in en om Putten geen rol meer. Op grote afstand van de kloosters te Paderborn en Elten werden de goederen beheerd door respectievelijk de Hof of Kelnarij van Putten (zie afb. 1) gelegen in het dorp van Putten en de Kemna gelegen in de buurschap Appel bij Nijkerk.

Groevenpael nog ongesplitst

Vóór 1559 is Groevenpael, dat ook wel ‘Groevengoed’ en later het ‘Hooge Eind’ wordt genoemd,  eigendom van het klooster te Werden. In 1495 wordt het omschreven, als een hofhorig goed van Werden voor een bedrag van 3 goudguldens voor oprukking. Het bestaat behalve de boerderij, de kern van het goed die ook wel zaalweer wordt genoemd, uit twaalf mud zaailand, een hoeve broekland in het Halvinkerhuizer broek en een halve hoeve ‘holts’ (hout/bomen) in het Sprielderbos te Putten.

Voor zover nu bekend begint de bewoningsgeschiedenis van het goed met een zekere Ghoesen Groven die Groevenpael omstreeks 1485 in bezit had (zie 2. Afb. en 3. Tabel). Op 2 mei 1495 verklaart Elbert de zoon van Ghoesen Groven dat hij een jaarlijkse rente van drie molder winterrogge verkocht heeft aan Johan van Rethberch.[ii] Een Aeltje Groven heeft in 1524 een kamp land uit dit goed weer losgekocht en verpacht deze nu aan Herman Bollen. In 1532 blijkt Metta Groven, als horige met haar kinderen, het goed te bezitten.[iii] Hoe Aeltje en Metta verwant zijn met Elbert Ghoesen Groven is nog onduidelijk. Metta’s dochter Dyle Artsen trouwt met de ‘onhorige’ Arnt Elbertsen. Tijdens het hofgericht van 1546 wordt Arnt Elbertsen veroordeeld tot de betaling van twee goudguldens binnen twee maanden wegens ‘misbruijck’ van dit goed. Hij bezat Groevenpael zonder gekwalificeerd te zijn als horige van de abt van Paderborn. Ook wordt bepaald dat hij als vrije ‘dienstman’ na zijn dood zes goudguldens voor zijn keur dient te geven. Arnt en Metta hadden zes kinderen, die volwassen zijn geworden: Wolter en Willem, zonen, en Elbertgen, Rijken, Ermgart en Mett, dochters. Bij Metta’s dood in 1553 wordt gemeld dat zij in totaal acht horige kinderen had. Zij overlijdt samen met haar dochter Bia.[iv] De keur van beiden bedraagt vijf Gelderse rijders. Arndt Elbersen overlijdt in 1574. Zijn zoon Wolter Aertzen volgt hem op als bezitter van Groevenpael. Hij is getrouwd met Nenne. Deze Wolter sterft vrij snel na zijn vader in 1582.[v] Vermoedelijk had Wolter Aertzen een dochter Dyle Wouters, die trouwt met Dries Wichers. Dries en Dyle hadden in ieder geval drie kinderen: de tweeling Baertje en Wichert Driessen, gedoopt in Putten op 26 september 1602 en Wouter Aertzen Driessen, gedoopt aldaar op 8 oktober 1606. Wouter wordt in het doopboek ingeschreven met de naam ‘Wouter Aertzen’ als zoon van Dries Wichers. ‘Aertzen’ verwijst naar alle waarschijnlijkheid naar de naam van haar vader Wolter Aertzen. Op 26 september 1610 verkopen Dries Wichers en Dyle, zijn vrouw, met toestemming van de Kelnarij het abtsgoed Groevenpael aan Gerrit Jansen Schomaker en zijn vrouw Nen. Zij verkopen op hun beurt op 1 mei 1611, eveneens met toestemming van de Kelnarij, één deel van het goed aan Egbert Jacobs (Schudder) en zijn vrouw Henrichgen van Mehn en het andere deel aan Thyman Jans en zijn vrouw Wicher of Weim. Zij is mogelijk en dochter van Dries Wichers en Dyle. Twee maanden later op 17 juli 1611 verkopen Thyman Jansen en zijn vrouw hun deel van Groevenpael aan Jan Artzen en Gertgen, zijn vrouw (zie 3. Tabel).

ChronologieHandelingen
ca. 1485Goosen Grove bezit Groevengoett.
02-05-1495Op ter heiligen Cruce avent inventionis verklaart Ellert Ghoesen Grouensoen, dat hij aan Johan van Rethberch een jaarlijkse rente van drie molder winterrogge verkocht heeft, gaande uit Ellert Grouen erve, gelegen te Halvichuysen in het kerspel Putten ([GA AKP] regest 45). Hoffhoorig 3 ggl, bestaande uit 12 mud zaailand, 1 hoeve broek op Halvinckhuiser broek en ½ hoeve holts in Sprielderbos.
1524Uit Grevengoett verpandt aan Hermen Bollen voor 13 ggl, ad 26 strs. het stuk, een kamp land dat Aeltje Groven weer losgekocht heeft.
1532Metta, horig, bezit het goed met al haar kinderen.
1546Extract uijt het contrasignaat des Hoffgerichts tot Putten vant jaer 1546 fol. VII verso: Tgoett geheijten Grevengoet dat beseten hefft Mett myt oeren kinderen, die dat beseten hebben nae Hoves rechten, nu Arnt Elbertsen met Dyle sijner wijve Metten voors. dochter hoorigh ind soe Arnt voorsz: onhoorigh is, sall hij geven voor sijn mijsbruijck twee gold gulden die binnen twee maanden dato van desen to betalen inde sijn keur bewilliget post mortem ipsius dairvoir ses golden gulden te sullen geven, dus sall hij sijn dienstrecht ad vitam genieten inde hebben ses kinderen als Wolter, Wilm soons; Elbertgen, Rijken, Ermgart en Mett dochteren. Item uijt desen goede sijndt verspleijtert etlijcke perceelen als nemlick eijn halve hoeve holts in Sprijlerholt dat nu Rutger Goijen besitt en is nu in den gerichte gelost. Accordeert met het originele boek.
1553Obiere in parrochia Putten buirschap Halvichusen Dila uxor Art Elbersen et Bia filia Art praedicti, et emit Art Elbersen cormedas uxoris videlicet et filiam pro 5 equitibus Gelrenses satis gratiose cum eo agendo ex quo octo liberi eius nobis omnis cormedales sunt Item Art solvit unum equitem, item acceptavi ab eo 4 butones pro 2 goltgulden ad 28 stb. den gulden et tenetur adhuc 40 stb. actum in octava Laurentij in praesentia pastoris nostri Kille Jansen et alios solvit etiam Alijt Hermsen 9 stb. b. absque damno meo, Slodse habet 1 equitem et 1 orth cum integram partem ([STAMA 434] fol. 71).
1571De hoeve broek in Halvinkhuisen verkocht aan Reijner van Arler, schout van Putten.
1574Arndt Elberts obijt. Wolter Aertsen uxor Nenne filia Hebel Renden/Neuden. etc.
1582Obijt in Putten Wouter Artsen op Grovengoett, habet equum de quo et super  (verder niet ingevuld) ([STAMA 434] fol. 106a).    
28-11-1601Drees Wychartzen verkoopt uijt zijn deel van het goed een kamp land aan Brandt Henrixen die bij de Allermolen woont, met toestemming.
20-12-1607Drees Wychartzen en Dyle, zijn vrouw, verkopen Grovenpaell, met toestemming en investituur, op 26 september 1610, aan Gerrit Jansen Schomaker en zijn vrouw Nen.
01-05-1611Gerrit Jansen verkoopt een deel van Grovenpaell aan Echbert Jacobsen (Schudder) en zijn vrouw Henrichgen van Mehn met toestemming, investituur en oprukking.
Gerrit Jansen verkoopt het andere deel van Grovenpaell aan Thyman Jans en zijn vrouw Wicher of Weim met toestemming, investituur en oprukking. 
17-07-1611Thyman Jansen en zijn vrouw verkopen hun deel van Grovenpaell aan Jan Artzen en Gertgen, zijn vrouw, inclusief verlenging van de oprukking in 1625 met drie jaar. Jan Aertzen is gekwalificeerd naar het goed, zijn vrouw Geertgen Melissen is vrij en sterft in 1627. Hij heeft oprukking tot 1630.
07-11-1617Consensus over contract tussen Echbert Jacobsen (Schudder) en Jan Aertzen dat zij ieder hun deel aan Grovenpaell als een zelfstandig goed zullen bezitten en vererven. Grovenpael in twee soolweer geleijt.
02-05-1621Definitieve toestemming voor twee afzonderlijke zaalweren van het gesplitste goed Grovenpaell. De halve hoeve hout in het Sprielderbos zal echter in zijn geheel blijven bij het deel van Jan Aertsen.
3. Tabel. Handelingen betreffend het abtsgoed Groevenpael in Halvinkhuizen te Putten in chronologische volgorde tot aan de splitsing van dit goed (GA AKP inv. nr. 129 en andere bronnen).

De splitsing van abtsgoed Groevenpael in twee delen in 1617

Op 7 november 1617 wordt er een akkoord bereikt over het contract tot splitsing van Groevenpael tussen Jan Aertzen of Aartsen en Egbert Jacobsen Schudder. Zij zullen ieder hun deel van het goed Groevenpael als een zelfstandig goed bezitten en laten vererven. Daarmee is Groevenpael in ‘twee soolweer geleijt’.  Vaak wordt een goed met zijn landerijen gesplitst wanneer in de buurt van het oude goed een nieuwe boerderij wordt gebouwd, die zelfstandig wordt, omdat een lid van het gezin of de familie voor zichzelf begint. De halve hoeve hout in het Sprielderbos zal echter in zijn geheel blijven bij het deel van Jan Aertsen. De hoeve broekland in Halvinkhuizerbroek is al lang voor de splitsing verkocht aan Reijner van Arler, de schout van Putten. Op 2 mei 1621 geeft de abt definitief consent voor deze twee zaalweren.

Sinds de splitsing van het abtsgoed Groevenpaell geven beide delen elk jaarlijks op Sint Lambertusdag – op straffe van het dubbele – 6 duiten aan hoofdtins en jaarlijks op St. Maarten in de winter aan stedigheden 3½ spint rogge. Aan oprukking alle zes jaar, gerekend van af de dag van de belening, 18-10-0 (guldens – stuivers – penningen) en na het overlijden van de bezitter van de zaalweer, zowel van vrouw als man, de keur. Verder dient de ‘grooven thijendt” betaald te worden.

Groevenpael eensdeels of Groevenpael primum

Jan Aartsen is een zoon van Aerdt Jansen en Mette. Mette stamt waarschijnlijk af van de oudere bewoners van Groevenpael. Jan Aartsen is behalve bezitter van de ene helft van abtsgoed Groevenpael – ook wel Groevenpael eensdeels of Groevenpael primum genoemd – ook bezitter van het hele vrouwengoed Groevengoed in Halvinkhuizen. Jan is horig en dus gekwalificeerd naar het abtsgoed , maar zijn vrouw Geertgen Melissen is vrij. Zij overlijdt in oktober 1627. Jan Aartsen betaalt voor haar keur 18-10-0. Met toestemming van de kelner maakt Jan Aartsen in 1647 een dispositie betreffende zijn deel van Groevenpael ten behoeve van zijn kinderen. In 1650 wordt hij nog voor de verponding getaxeerd: Jan Aertsen cum suis eijgenaer ende pachter van huijs, hoff van ½ schepel, (waartoe behoren) 6 mudden gesaeijs opden 4e gerff, 4 mudden opden 4e gerff, 3 peerden, 4 koeijen (met een getaxeerde waarde van) – 72-0-. Belastbaar: 66-4-9; (heeft verder) weinich heghholts, (betaalt) 6 gulden 10 stuivers tot herengulden aende Graeff, 21 stuivers tot tins aende selve, 22 stuivers tot rijsvoer ende roockhoender aenden Rentm[eeste]r van Veluwen, 14 schepel saets halff rogh en halff boekweijt tot stedicheijt aende Abdisse, 2½ schepel rogge aende kellener.[vi] Kort na deze taxatie overlijdt hij.

Op 7 april 1650 betaalt Aaltjen Aaltsen, de vrouw van zijn reeds overleden zoon, Aart Jansen, de keur van haar schoonvader met 18 carolus guldens. De kelner noteert dat hij twee zonen, Willem en Steven, en twee dochters Geertgen en Mette, nalaat. Geertgen is in Harderwijk getrouwd met Evert Jansen Klinkenberg en Mette is getrouwd met Ryck Eversen, die pachtboer is op het abtsgoed Ozykengoed in de buurschap Bijsteren te Putten (zie 4. Schema). In 1668 berekent de kelner verschillende achterstallige betalingen. Er is geen investituur verzocht: 9-6-0, en de oprukkingen van 7 april 1650 tot 7 april 1656, idem tot 7 april 1662 en die tot 1668 ad 17-16-0 elk, resteren nog. Voor oprukking vanaf 1668 dient 17-16-0 betaald te worden en voor het niet gekwalificeerd zijn minstens 17-16-0. Daarmee zijn de achterstallige betalingen opgelopen tot 118-6-0.

Wilm Aartsen, de oudste zoon van Aart Jansen, wordt voor het Hof gedaagd. De jaren tussen 1650 en 1684 is het abtsgoed door kleinkinderen van Jan Aartsen bezeten zonder kwalificatie. Voor het Hof wordt zijn ‘mijsbruijck gratioselijck veraccordeert’ voor elf gulden, voor belening 9-16-0, voor zes oprukkingen in deze periode tot 6 april 1686 zes maal 18-10-0 samen 111 gulden en voor de keur van zijn ‘opgevoerde huijsvrouw’ vijftien gulden, en tot slot voor gemaakte onkosten en vacatiegelden zestig  gulden. Van het totaal bedrag aan schuld wordt een obligatie gemaakt. Per 26 december 1684 verkrijgt Wilm Aartsen dan investituur van dit deel van het goed.

Wilm Aartsen overlijdt op 2 maart 1692. Zijn zoon Aart Wilmsen zou zich ‘als outste mansoir’ hebben moeten laten belenen met half Groevenpael voor 11-18-0 en oprukking moeten verkrijgen voor 18-10-0. Aart Wilmsen overlijdt echter korte tijd daarna in 1694, waardoor Aaltje Wilmsen, zijn zuster, als ‘regtsfolger’ zich had moeten melden voor belening voor 11-18-0 en oprukking voor 18-10-0. Op 26 maart 1711 wordt Aaltje Wilmsen gewaarschuwd om voor haar misbruik te betalen. Tot 7 februari 1724 wordt de oprukking niet betaald. Sinds de dood van Wilm Aartsen is het goed ‘ongekwalificeerd’ bezeten en er is geen stedigheid en tins betaald. Aaltje Wilms, die getrouwd is met Steven Aaltsen betaalt alle onbetaalde rekeningen en verkrijgt investituur.

Aalt Stevensen woont in de buurschap Halvinkhuizen. Hij is de zoon van Steven Aaltzen en Aaltje Wilmsen. Wanneer hij na de dood van zijn moeder in 1721 in het bezit van beide goederen komt, begint ook hij weer met een forse schuld. Beide goederen zijn afkomstig van zijn moeder Aaltje Wilms. Haar vader Wilm Aartsen, haar bovengenoemde oom (Steven Aartsen) en twee tantes (Metje en Geertje Aartsen) bezaten ieder een vierde deel van deze goederen. Als oudste bezat Wilm Aartsen ook de zaalweer van beide goederen. Als de hoofdbezitter en verantwoordelijk voor het (financiële) beheer van de goederen had Wilm de verdeling met zijn broer en zussen moeten regelen met toestemming van beide kloosters. Bovendien hadden zijn broer en zussen en hun kinderen hun deel geheel of gedeeltelijk onderling aan elkaar verpand. Ook deze handelingen waren zonder toestemming van de kloosters gebeurd (zie 4. Schema).

Uiteindelijk dagen de gevolmachtigde van het klooster Elten, Johan Hendrik van Schlaun, die verblijft op de Kemna in Appel en Christiaan Reherman, kelner op de kelnarij te Putten, Aalt Stevensen in 1750 voor het Hof in Arnhem. Op 17 december 1750 veroordeelt dit Hof Aalt voor zijn vele ‘misbruiken’ van beide goederen. Voor de rechtszaak heeft de kelner nog een eerder genoemde schema gemaakt om duidelijk te maken wie van Aalts familie welk deel van de goederen in bezit heeft (zie 4. Schema). De afgespliste delen van het goed komen voorzover zij niet verkocht zijn, vrijwel geheel weer terug in de kern van het goed, de zaalweer. Aalt zal zich moeten kwalificeren als hoofdbezitter van beide goederen en nieuw consent moeten vragen voor de oprukkingen en de misbruiken sinds 1727 betalen. Zolang hij dat niet gedaan heeft zullen de eigenaars zich de opbrengsten van het land toe-eigenen. Het net rond Aalt Stevensen begint zich dan te sluiten. Na inventarisatie van zijn bezit en beslaglegging op al zijn goederen, raakt Aalt Stevensen in 1753 al zijn bezit definitief kwijt aan de beide kloosters.[vii]

4. Schema van de nakomelingen van Jan Aartsen en hun bezit van de abtsgoederen Groevenpael en Westphalingsgoed in Halvinkhuizen te Putten volgens een schema uit de 18e eeuw gemaakt door de kelner van Putten.

Bezat Aaltje Wilms met haar man Steven Aaltzen, de ouders van Aalt Stevensen, de zaalweer en een vierde deel van abtsgoed Groevenpael eensdeels, Steven Aaltzens halfbroer Jan of Johan Aaltzen bezat in die tijd de andere helft van Groevenpael, Groevenpael anderdeels, zoals hierna zal blijken.

5. Schema van het gezin van Reyertgen ten Hove en haar kleinkinderen als bezitters van Groevenpael anderdeels of Groevenpael secundum en het abtsgoed Scherpijn in Halvinkhuizen te Putten.

Groevenpael anderdeels of Groevenpael secundum

In het register van de overleden keurmedigen tekent de kelner in 1619 de keur op van Henrickgen van Mehn, de vrouw van de hierboven genoemde Egbert Jacobsen Schudder.[viii] Voor haar moet vanwege het bezit van de andere helft van het abtsgoed Groevenpael oftewel ‘het goed op het Hooge Eijnde’ 18 karolusguldens worden betaald. Egbert verkoopt twee jaar later zijn helft van Groevenpael met toestemming van de kelner aan Jan Woutersen en zijn vrouw Reyertgen ten Hove. Op 5 maart 1621 verkrijgt Jan Woutersen vervolgens investituur en oprukking van dit goed voor zes jaar. Hij geeft tegelijkertijd als onderpand voor vierhonderd karolusgulden de helft van Nijencamp in onderpand aan Egbert Jacobsen. De Nijencamp is een stuk land dat tot zijn helft van het goed behoort. Jan Woutersen kan dit land elk jaar op St. Lambertusdag inlossen door deze lening terug te betalen.

In 1637 accepteert Reyertgen ten Hove oprukking tot eind september 1642. Reyertgen is dan weduwe. Zij overlijdt in 1652 zonder ooit nog oprukkingen te hebben gevraagd. Vanaf 1642 resteren er dus een tweetal oprukkingen, die voor de kelner een schadepost van 17 karolus guldens en 16 stuivers elk opleveren. Daarnaast heeft Reyertgen ook geen tins en stedigheden betaald.

Jan Woutersen en Reyertgen ten Hove hadden samen een dochter genaamd Nennitjen. Jan Woutersen overleed op 22 augustus 1635 vóór zijn dochter Nennitjen. Jan Woutersen bezat onhorig zowel zijn deel van het abtsgoed Groevenpael als ook een ander abtsgoed, Scherpijn geheten, dat ook in Halvinkhuizen was gelegen. Scherpijn lag vroeger iets ten noorden van Groevenpael. Voor het bezit van Scherpijn werd zijn keur op 25-10-0 gesteld, die werd betaald door Reijertgen. Nennitjen Jansdr. is kort voor 18 februari 1641 overleden, de dag waarop haar keur door haar moeder wordt betaald met 46 gulden. Reyertgen had haar dochter bij haar huwelijk een jaar eerder met Ryck Gijsbertsen haar deel van Groevenpael meegegeven. Op 14 november 1652 betalen Reyertgens  zoon Aelt Aeltzen en zijn tweede vrouw Niesgen Stevens haar keur met 45 gl. Aelt Aeltzen is Reyertgens onechte zoon bij Aelt Jans Wijncoop (zie 5. Schema).

5. Fragment van de kadaster kaart van Putten 1832. Ten zuiden van het dorp in de rode cirkel ligt het (Grote) Hooge Eind (bewerkt door Jan van de Kraats).

Na haar overlijden laat de kelner zich adviseren door rechtsgeleerden over de rechtmatige opvolger van Reyertgen ten Hove. Is dat haar broer Kyll ten Hove of Aelt Aeltzen haar onechte zoon bij Aelt Wijncoop? Het advies luidt om de ene helft van half Groevenpael te laten vererven op de verwanten van Jan Woutersen en andere helft op die van Reyertgen ten Hove. In 1653 begint een rechtszaak tussen beiden. Op 27 juli 1654 ziet Arnt Melissen Schmit, een zoon van Melis Woutersen, die een broer was van Jan Woutersen, af van zijn recht op half Groevenpael. De reden ligt mede in het feit dat Aelt Aeltzen, vóór zijn huwelijk met Niesgen Stevens, getrouwd was met Woutergen Melissen, Arnts zuster (zie 5. Schema). Op die dag laat hij behalve half Groevenpael ook het abtsgoed Scherpijen, een halve deling hout in het Sprielderbos en een halve hoeve broek op het Huinerbroek, over aan Aelt Aeltzen. Arnt Melissen Schmit en zijn vrouw Grietgen Gerrits krijgen daarvoor in de plaats een huis en hof met het broek daaraan gelegen en een stuk land de Voskamp genaamd in de buurschap Norden en een deling hout in het Putterbos. Al deze goederen zijn gelegen in Putten.

6. Detail van kadaster kaart, sectie M Halvinkhuizen, blad 1 met ligging van Het Hooge Eind. In 1832: kadastraal M82.

In 1655 wordt uitspraak gedaan en wordt Kyl ten Hove als de rechtmatige opvolger aangewezen. Wel  moet hij Aelt Aeltzen compenseren. In het begin van 1655 belooft Kyl alle genoemde achterstallige posten te betalen, zodat hij vervolgens op 5 januari de investituur en oprukking verkrijgt van half Groevenpael. In 1660 spant Kyl een nieuwe zaak aan tegen Aelt Aeltzen. Hij verliest en moet de geëiste 573 gulden compensatie wel betalen. Ook Kyl laat vanaf 1660 na om oprukking te vragen. Tot aan zijn dood in 1668 resteren dan ook een tweetal oprukkingen, die net zo als voor Reyertgen elk 17-16-0 bedroegen. Zijn keur wordt op 26 juli 1668 betaald door de zoon van Aelt Aeltzen met 20 gld. In 1668 zou Aeltje, de dochter van Kyll ten Hove, om investituur en oprukking hebben moeten verzoeken. Zij doet dat echter niet. De kelner derft voor de investituur 8-16-0 en voor de oprukking 17-16-0 aan inkomsten. Uiteindelijk wordt er met de rechtszaken niets opgelost. Daarom besluiten Aelt Aeltzen en Aeltje Kyllen ten Hove dochter in 1670 hun delen van dit halve goed aan Johan Aeltsen over te dragen. Johan Aeltsen is de enige zoon uit het eerste huwelijk van Aelt Aeltzen met Woutertijen Melissen. Deze Johan Aeltsen die ook af en toe Jan Aeltsen Wijncoop wordt genoemd is getrouwd met Enneken Evers.

Op 7 januari 1671 verzoekt Aelt Aeltzen, alsvader van zijn onmondige kinderen Woutertjen, Reijertjen, Steven en Thonis Aeltsen verwekt bij zijn tweede vrouwNijschen Stevens,goedkeuring van een gift uit Groevenpael van twee kampjes land genaamd de Pas ende Nieuwenkamp in ‘Halvinkhuisen’ en een half vierdel in het ‘Halvinckhuiser broick’ aan zijn kinderen voor hun moeders erfenis. De kelner gaat akkoord met deze dispositie op voorwaarde dat zij ‘naer natuir des goedes regulieren ende qualificieren gehouden sijn sullen’.

In 1671 heeft Johan Aeltsen het abtsgoed Scherpijn van zijn vader geërfd, dat hij samen met half Groevenpael of Groevenpael anderdeels tot zijn dood in 1708 bezit. In 1710 en 1711 verkoopt vervolgens zijn zoon Evert Jansen dit halve Groevenpael en Scherpijen aan Hendrik Noeijen. In die jaren was zijn halfbroer Steven Aaltzen door zijn vrouw Aaltje Wilmsen formeel in het bezit van Groevenpael eensdeels. Hoewel het tot 1734 duurde voordat zijn helft weer tot een geheel was gebracht. Heel kort na de splitsing van het goed Groevenpael in 1617 heeft het goed honderd jaar later nog eens vrijwel in zijn geheel aan de kinderen van Reyertgen ten Hove toebehoord. Daarna zijn de halve goederen weer in twee delen door anderen bezeten.[ix]

Met dank aan Jan van de Kraats voor gegevens uit het kadaster en over dit goed.

Een eerdere versie van dit artikel is verschenen in Gens Nostra, 85, pag. 264 (2020).

Noten

GA = Gelders Archief.
GA AKP = Gelders Archief, 0234 Archief van de Kelnarij van Putten.
GA VERP = Gelders Archief, 0008 Staten van het Kwartier van Veluwe en hun Gedeputeerden, inv. nr. 293 Verpondingskohier Putten 1650.
STAMA = Staatsarchiv Münster, Abdinghofakten.


[i] Horigheid is eerder aan de orde gekomen in Gens Nostra, jaargang XLV, nr. 2, pag. 45 (1990).

[ii] GA AKP, regest 45.

[iii] GA AKP, inv. nr. 129, num F.

[iv] STAMA, inv. nr. 434, fol. 71.

[v] STAMA, inv. nr. 434, fol. 106a.

[vi] GA VERP inv. nr. 293, fol. 131v.

[vii] Zie voor deze afloop: De Graver, uitgave van de Stichting Puttens Historisch Genootschap maart 2016 en december 2016.

[viii] STAMA, inv. nr. 434, fol. 158a.

[ix] Zie voor meer informatie: https://odeeby.wordpress.com/.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s