Het Hooge Eind of Groevenpael in Halvinkhuizen te Putten

Abstract

Aan de hand van de achtereenvolgende bezitters van het proost- later abtsgoed Groevenpael in de buurschap Halvinkhuizen te Putten zijn de horige rechten en plichten van de bewoners goed te demonstreren. Ook worden familieverbanden duidelijk die in de gangbare bronnen zoals doop- trouw- en begraafboeken vaak niet gevonden kunnen. Soms levert één akte uit een ‘horig’ archief in één klap meerdere generaties voorouders.

Inleiding

Onderzoek naar onze voorouders vóór 1800 begint meestal met het bestuderen van archiefbronnen, zoals doop- trouw- en begraafboeken (dtb). Wanneer deze bronnen volledig zijn en wanneer de voornamen, achternamen of patroniemen niet al te veelvuldig voorkomen kan vaak al snel een nieuwe generatie toegevoegd worden aan de voorouderreeks. Op de Noordwest-Veluwe dekt een gereformeerd doop- of trouwboek al gauw het grootste deel van de inwoners van plaatsen of dorpen af, waardoor de kans dat een nieuwe generatie voorouders onvindbaar is afneemt, tenzij die in een andere plaats of dorp gezocht moet worden. Dan dienen de bronnen van deze plaatsen of dorpen te worden onderzocht. Toch kan het onderzoek bemoeilijkt worden door het gebruik van veel voorkomende patroniemen zonder achternamen of door ontbrekende bronnen in deze tijd. Alleen afgaan op kandidaat voorouders op basis van patroniemen en vernoeming van kinderen is een hachelijke zaak. Dan wordt het moeilijker om te bepalen welk het juiste ouderpaar is van een verre voorouder.

Archieven die handelen over de horigheid, dat wil zeggen over horige personen en horige goederen, zoals boerderijen en land, vormen een belangrijk alternatief voor dtb-boeken. Zeker wanneer de horigheid wijdverbreid was, zoals op de Veluwe. ‘Horige’ archiefbronnen zijn gestoeld op genealogie. Immers de ‘horige status’ erfden kinderen van hun moeder als die horig was. De meisjes in het gezin van de horige moeder gaven die status weer door aan hun kinderen, enzovoort. Voor de ‘heer’ van die horigen was het belangrijk om de matrilineaire afstamming te kennen en vast te leggen. Horigen betekenen namelijk inkomsten voor de heer, zoals bijvoorbeeld hoofdtins, keurmede of versterf, die horigen of hun nabestaanden moesten betalen. Behalve deze persoonsgebonden verplichtingen bestonden er ook allerlei verplichtingen gekoppeld aan het horige goed of horige land dat een horige bezat. De heer had dus ook belang bij een goede registratie van de bezitters van zijn horige goederen en van hun aan het goed of de grond verbonden betalingen. Tot die verplichtingen behoren onder andere: het betalen van (grond)tinsen, tienden, stedigheid (jaarlijkse erfpacht als deel van de oogst), investituur of belening met het goed, oprukking, en dergelijke. Termen die verderop nog aan de orde komen. Het horig bezit ging bij voorkeur over van vader op zoon, eventueel op de dochter of een neef of nicht. Door de achtereenvolgende bezitters chronologisch op een rijtje te zetten wordt vaak een patrilineaire afstammingsreeks zichtbaar.

Het voordeel van de bestudering van ‘horige’ archieven is dat de onderzoeker regelmatig meerdere generaties voorouders in één enkel document kan vinden.

Horige goederen

Tijdens de nadagen van de horigheid op de Veluwe worden bezitters van horige goederen, zoals boerderijen en landerijen, geleidelijk aan eigenaars. Tot het begin van de 19e eeuw zijn de Duitse kloosters van Paderborn en Elten nog de eigenaars van tientallen horige goederen, die voornamelijk in en om Putten op de Veluwe te vinden zijn. In 1810 komen zij aan het kroondomein van het Koninkrijk Holland. Mede onder invloed van de Franse tijd is er een einde gekomen aan de rechten en plichten verbonden aan de horigheid. Vóór 1559 is nog een derde klooster, namelijk dat van Werden, een belangrijke eigenaar van horige goederen in dit gebied.

1. De Kelnarij of Hof van Putten van het Klooster Abdinghof te Paderborn (door Cornelis Pronk).

Veel van de oude horige verplichtingen waaraan de bezitters moesten voldoen werden in de late Middeleeuwen in natura afgedragen maar zijn in de daarop volgende eeuwen grotendeels omgezet in geldelijke betalingen. Het bezit van een horig goed is de facto een levenslange erfpacht geworden. Het goed kan vererven op de kinderen. De jaarlijkse hoofdtins, een personele belasting, dient nog wel steeds op tijd betaald te worden. Ook de ‘stedigheden’, zoals de tweejaarlijkse afdrachten van een deel van de oogst aan tarwe, rogge, gerst, haver of boekweit en de ‘tienden’, dienen op tijd voldaan te worden. Dat geldt ook voor de betaling van de zesjaarlijkse oprukking (zes jaar uitstel voor de bezitter om horig te worden naar de horige natuur van het goed wanneer hij niet horig is) en de keur of het versterf (het beste stuk uit de nalatenschap, meestal de waarde van een paard of een koe) van de overleden bezitter. Ook wanneer het goed door de bezitter geheel of gedeeltelijk wordt verpand aan geldschieters voor het verkrijgen van een lening kan dat niet buiten het klooster om. Er moet betaald  worden voor de registratie van de verpanding. In de 17e en 18e eeuw is de horigheid dan ook nog lang niet verdwenen.

2. ‘Groven guet, alias Grovenpaell, sive T’Hoge Ende, tantundem (evenveel als het voorgaande goed in de lijst, d.w.z. een half molder rogge aan stedigheid en een half vlaams groot aan thins). Hoc bonum appellat[ur] à suo antiquissimo possessore, ante centum annos et amplius Goesen Grovenn. Antiqua Registra habent van Grouen guet end Abelweijde. Possident Ecbert Jacobss, et Jan Artzen simul et indivisim. (Bladzijde uit Findbuch B608 426 Heffingen en Bewoners [STAMA]).

De kloosters hebben dus belang bij een zo nauwkeurig mogelijk administratie van het goederenbezit en de staat van hun horigen, keurmedigen en vrijen. Desondanks wordt de registratie in bepaalde periode sterk verwaarloosd, waardoor goederen en horigen ‘bijster’ raken. Van tijd tot tijd is er dan ook een opleving in de registratie en worden nieuwe overzichten van goederen en horigen aangelegd.[i]  Zodoende is het archief van deze kloosters rijk aan patrilineaire en matrilineaire genealogieën en historische gegevens.

Het horig abtsgoed Groevenpael

Aan de hand van de geschiedenis van het goed Groevenpael in de buurschap Halvinkhuizen te Putten zijn de horige verplichtingen goed te demonstreren. De boerderij Groevenpael met al het bijbehorend land en bos was na 1559 eigendom van het klooster Abdinghof te Paderborn in Duitsland. De goederen van dit klooster worden doorgaans ‘abtsgoederen’ genoemd. Daardoor zijn zij goed te onderscheiden van de goederen van het St. Vitusklooster of Vrouwenklooster te Elten in Duitsland, die ‘vrouwengoederen’ worden genoemd. De goederen in en om Putten van het St. Ludgerusklooster te Werden, dat eveneens in Duitsland is gelegen, werden verkocht en geruild met abtsgoederen te Renkum. Hierdoor speelde het klooster te Werden na 1559 in en om Putten geen rol meer. Op grote afstand van de kloosters te Paderborn en Elten werden de goederen beheerd door respectievelijk de Hof of Kelnarij van Putten (zie afb. 1) gelegen in het dorp van Putten en de Kemna gelegen in de buurschap Appel bij Nijkerk.

Groevenpael nog ongesplitst

Vóór 1559 is Groevenpael, dat ook wel ‘Groevengoed’ en later het ‘Hooge Eind’ wordt genoemd,  eigendom van het klooster te Werden. In 1495 wordt het omschreven, als een hofhorig goed van Werden voor een bedrag van 3 goudguldens voor oprukking. Het bestaat behalve de boerderij, de kern van het goed die ook wel zaalweer wordt genoemd, uit twaalf mud zaailand, een hoeve broekland in het Halvinkerhuizer broek en een halve hoeve ‘holts’ (hout/bomen) in het Sprielderbos te Putten.

Voor zover nu bekend begint de bewoningsgeschiedenis van het goed met een zekere Ghoesen Groven die Groevenpael omstreeks 1485 in bezit had (zie 2. Afb. en 3. Tabel). Op 2 mei 1495 verklaart Elbert de zoon van Ghoesen Groven dat hij een jaarlijkse rente van drie molder winterrogge verkocht heeft aan Johan van Rethberch.[ii] Een Aeltje Groven heeft in 1524 een kamp land uit dit goed weer losgekocht en verpacht deze nu aan Herman Bollen. In 1532 blijkt Metta Groven, als horige met haar kinderen, het goed te bezitten.[iii] Hoe Aeltje en Metta verwant zijn met Elbert Ghoesen Groven is nog onduidelijk. Metta’s dochter Dyle Artsen trouwt met de ‘onhorige’ Arnt Elbertsen. Tijdens het hofgericht van 1546 wordt Arnt Elbertsen veroordeeld tot de betaling van twee goudguldens binnen twee maanden wegens ‘misbruijck’ van dit goed. Hij bezat Groevenpael zonder gekwalificeerd te zijn als horige van de abt van Paderborn. Ook wordt bepaald dat hij als vrije ‘dienstman’ na zijn dood zes goudguldens voor zijn keur dient te geven. Arnt en Metta hadden zes kinderen, die volwassen zijn geworden: Wolter en Willem, zonen, en Elbertgen, Rijken, Ermgart en Mett, dochters. Bij Metta’s dood in 1553 wordt gemeld dat zij in totaal acht horige kinderen had. Zij overlijdt samen met haar dochter Bia.[iv] De keur van beiden bedraagt vijf Gelderse rijders. Arndt Elbersen overlijdt in 1574. Zijn zoon Wolter Aertzen volgt hem op als bezitter van Groevenpael. Hij is getrouwd met Nenne. Deze Wolter sterft vrij snel na zijn vader in 1582.[v] Vermoedelijk had Wolter Aertzen een dochter Dyle Wouters, die trouwt met Dries Wichers. Dries en Dyle hadden in ieder geval drie kinderen: de tweeling Baertje en Wichert Driessen, gedoopt in Putten op 26 september 1602 en Wouter Aertzen Driessen, gedoopt aldaar op 8 oktober 1606. Wouter wordt in het doopboek ingeschreven met de naam ‘Wouter Aertzen’ als zoon van Dries Wichers. ‘Aertzen’ verwijst naar alle waarschijnlijkheid naar de naam van haar vader Wolter Aertzen. Op 26 september 1610 verkopen Dries Wichers en Dyle, zijn vrouw, met toestemming van de Kelnarij het abtsgoed Groevenpael aan Gerrit Jansen Schomaker en zijn vrouw Nen. Zij verkopen op hun beurt op 1 mei 1611, eveneens met toestemming van de Kelnarij, één deel van het goed aan Egbert Jacobs (Schudder) en zijn vrouw Henrichgen van Mehn en het andere deel aan Thyman Jans en zijn vrouw Wicher of Weim. Zij is mogelijk en dochter van Dries Wichers en Dyle. Twee maanden later op 17 juli 1611 verkopen Thyman Jansen en zijn vrouw hun deel van Groevenpael aan Jan Artzen en Gertgen, zijn vrouw (zie 3. Tabel).

ChronologieHandelingen
ca. 1485Goosen Grove bezit Groevengoett.
02-05-1495Op ter heiligen Cruce avent inventionis verklaart Ellert Ghoesen Grouensoen, dat hij aan Johan van Rethberch een jaarlijkse rente van drie molder winterrogge verkocht heeft, gaande uit Ellert Grouen erve, gelegen te Halvichuysen in het kerspel Putten ([GA AKP] regest 45). Hoffhoorig 3 ggl, bestaande uit 12 mud zaailand, 1 hoeve broek op Halvinckhuiser broek en ½ hoeve holts in Sprielderbos.
1524Uit Grevengoett verpandt aan Hermen Bollen voor 13 ggl, ad 26 strs. het stuk, een kamp land dat Aeltje Groven weer losgekocht heeft.
1532Metta, horig, bezit het goed met al haar kinderen.
1546Extract uijt het contrasignaat des Hoffgerichts tot Putten vant jaer 1546 fol. VII verso: Tgoett geheijten Grevengoet dat beseten hefft Mett myt oeren kinderen, die dat beseten hebben nae Hoves rechten, nu Arnt Elbertsen met Dyle sijner wijve Metten voors. dochter hoorigh ind soe Arnt voorsz: onhoorigh is, sall hij geven voor sijn mijsbruijck twee gold gulden die binnen twee maanden dato van desen to betalen inde sijn keur bewilliget post mortem ipsius dairvoir ses golden gulden te sullen geven, dus sall hij sijn dienstrecht ad vitam genieten inde hebben ses kinderen als Wolter, Wilm soons; Elbertgen, Rijken, Ermgart en Mett dochteren. Item uijt desen goede sijndt verspleijtert etlijcke perceelen als nemlick eijn halve hoeve holts in Sprijlerholt dat nu Rutger Goijen besitt en is nu in den gerichte gelost. Accordeert met het originele boek.
1553Obiere in parrochia Putten buirschap Halvichusen Dila uxor Art Elbersen et Bia filia Art praedicti, et emit Art Elbersen cormedas uxoris videlicet et filiam pro 5 equitibus Gelrenses satis gratiose cum eo agendo ex quo octo liberi eius nobis omnis cormedales sunt Item Art solvit unum equitem, item acceptavi ab eo 4 butones pro 2 goltgulden ad 28 stb. den gulden et tenetur adhuc 40 stb. actum in octava Laurentij in praesentia pastoris nostri Kille Jansen et alios solvit etiam Alijt Hermsen 9 stb. b. absque damno meo, Slodse habet 1 equitem et 1 orth cum integram partem ([STAMA 434] fol. 71).
1571De hoeve broek in Halvinkhuisen verkocht aan Reijner van Arler, schout van Putten.
1574Arndt Elberts obijt. Wolter Aertsen uxor Nenne filia Hebel Renden/Neuden. etc.
1582Obijt in Putten Wouter Artsen op Grovengoett, habet equum de quo et super  (verder niet ingevuld) ([STAMA 434] fol. 106a).    
28-11-1601Drees Wychartzen verkoopt uijt zijn deel van het goed een kamp land aan Brandt Henrixen die bij de Allermolen woont, met toestemming.
20-12-1607Drees Wychartzen en Dyle, zijn vrouw, verkopen Grovenpaell, met toestemming en investituur, op 26 september 1610, aan Gerrit Jansen Schomaker en zijn vrouw Nen.
01-05-1611Gerrit Jansen verkoopt een deel van Grovenpaell aan Echbert Jacobsen (Schudder) en zijn vrouw Henrichgen van Mehn met toestemming, investituur en oprukking.
Gerrit Jansen verkoopt het andere deel van Grovenpaell aan Thyman Jans en zijn vrouw Wicher of Weim met toestemming, investituur en oprukking. 
17-07-1611Thyman Jansen en zijn vrouw verkopen hun deel van Grovenpaell aan Jan Artzen en Gertgen, zijn vrouw, inclusief verlenging van de oprukking in 1625 met drie jaar. Jan Aertzen is gekwalificeerd naar het goed, zijn vrouw Geertgen Melissen is vrij en sterft in 1627. Hij heeft oprukking tot 1630.
07-11-1617Consensus over contract tussen Echbert Jacobsen (Schudder) en Jan Aertzen dat zij ieder hun deel aan Grovenpaell als een zelfstandig goed zullen bezitten en vererven. Grovenpael in twee soolweer geleijt.
02-05-1621Definitieve toestemming voor twee afzonderlijke zaalweren van het gesplitste goed Grovenpaell. De halve hoeve hout in het Sprielderbos zal echter in zijn geheel blijven bij het deel van Jan Aertsen.
3. Tabel. Handelingen betreffend het abtsgoed Groevenpael in Halvinkhuizen te Putten in chronologische volgorde tot aan de splitsing van dit goed (GA AKP inv. nr. 129 en andere bronnen).

De splitsing van abtsgoed Groevenpael in twee delen in 1617

Op 7 november 1617 wordt er een akkoord bereikt over het contract tot splitsing van Groevenpael tussen Jan Aertzen of Aartsen en Egbert Jacobsen Schudder. Zij zullen ieder hun deel van het goed Groevenpael als een zelfstandig goed bezitten en laten vererven. Daarmee is Groevenpael in ‘twee soolweer geleijt’.  Vaak wordt een goed met zijn landerijen gesplitst wanneer in de buurt van het oude goed een nieuwe boerderij wordt gebouwd, die zelfstandig wordt, omdat een lid van het gezin of de familie voor zichzelf begint. De halve hoeve hout in het Sprielderbos zal echter in zijn geheel blijven bij het deel van Jan Aertsen. De hoeve broekland in Halvinkhuizerbroek is al lang voor de splitsing verkocht aan Reijner van Arler, de schout van Putten. Op 2 mei 1621 geeft de abt definitief consent voor deze twee zaalweren.

Sinds de splitsing van het abtsgoed Groevenpaell geven beide delen elk jaarlijks op Sint Lambertusdag – op straffe van het dubbele – 6 duiten aan hoofdtins en jaarlijks op St. Maarten in de winter aan stedigheden 3½ spint rogge. Aan oprukking alle zes jaar, gerekend van af de dag van de belening, 18-10-0 (guldens – stuivers – penningen) en na het overlijden van de bezitter van de zaalweer, zowel van vrouw als man, de keur. Verder dient de ‘grooven thijendt” betaald te worden.

Groevenpael eensdeels of Groevenpael primum

Jan Aartsen is een zoon van Aerdt Jansen en Mette. Mette stamt waarschijnlijk af van de oudere bewoners van Groevenpael. Jan Aartsen is behalve bezitter van de ene helft van abtsgoed Groevenpael – ook wel Groevenpael eensdeels of Groevenpael primum genoemd – ook bezitter van het hele vrouwengoed Groevengoed in Halvinkhuizen. Jan is horig en dus gekwalificeerd naar het abtsgoed , maar zijn vrouw Geertgen Melissen is vrij. Zij overlijdt in oktober 1627. Jan Aartsen betaalt voor haar keur 18-10-0. Met toestemming van de kelner maakt Jan Aartsen in 1647 een dispositie betreffende zijn deel van Groevenpael ten behoeve van zijn kinderen. In 1650 wordt hij nog voor de verponding getaxeerd: Jan Aertsen cum suis eijgenaer ende pachter van huijs, hoff van ½ schepel, (waartoe behoren) 6 mudden gesaeijs opden 4e gerff, 4 mudden opden 4e gerff, 3 peerden, 4 koeijen (met een getaxeerde waarde van) – 72-0-. Belastbaar: 66-4-9; (heeft verder) weinich heghholts, (betaalt) 6 gulden 10 stuivers tot herengulden aende Graeff, 21 stuivers tot tins aende selve, 22 stuivers tot rijsvoer ende roockhoender aenden Rentm[eeste]r van Veluwen, 14 schepel saets halff rogh en halff boekweijt tot stedicheijt aende Abdisse, 2½ schepel rogge aende kellener.[vi] Kort na deze taxatie overlijdt hij.

Op 7 april 1650 betaalt Aaltjen Aaltsen, de vrouw van zijn reeds overleden zoon, Aart Jansen, de keur van haar schoonvader met 18 carolus guldens. De kelner noteert dat hij twee zonen, Willem en Steven, en twee dochters Geertgen en Mette, nalaat. Geertgen is in Harderwijk getrouwd met Evert Jansen Klinkenberg en Mette is getrouwd met Ryck Eversen, die pachtboer is op het abtsgoed Ozykengoed in de buurschap Bijsteren te Putten (zie 4. Schema). In 1668 berekent de kelner verschillende achterstallige betalingen. Er is geen investituur verzocht: 9-6-0, en de oprukkingen van 7 april 1650 tot 7 april 1656, idem tot 7 april 1662 en die tot 1668 ad 17-16-0 elk, resteren nog. Voor oprukking vanaf 1668 dient 17-16-0 betaald te worden en voor het niet gekwalificeerd zijn minstens 17-16-0. Daarmee zijn de achterstallige betalingen opgelopen tot 118-6-0.

Wilm Aartsen, de oudste zoon van Aart Jansen, wordt voor het Hof gedaagd. De jaren tussen 1650 en 1684 is het abtsgoed door kleinkinderen van Jan Aartsen bezeten zonder kwalificatie. Voor het Hof wordt zijn ‘mijsbruijck gratioselijck veraccordeert’ voor elf gulden, voor belening 9-16-0, voor zes oprukkingen in deze periode tot 6 april 1686 zes maal 18-10-0 samen 111 gulden en voor de keur van zijn ‘opgevoerde huijsvrouw’ vijftien gulden, en tot slot voor gemaakte onkosten en vacatiegelden zestig  gulden. Van het totaal bedrag aan schuld wordt een obligatie gemaakt. Per 26 december 1684 verkrijgt Wilm Aartsen dan investituur van dit deel van het goed.

Wilm Aartsen overlijdt op 2 maart 1692. Zijn zoon Aart Wilmsen zou zich ‘als outste mansoir’ hebben moeten laten belenen met half Groevenpael voor 11-18-0 en oprukking moeten verkrijgen voor 18-10-0. Aart Wilmsen overlijdt echter korte tijd daarna in 1694, waardoor Aaltje Wilmsen, zijn zuster, als ‘regtsfolger’ zich had moeten melden voor belening voor 11-18-0 en oprukking voor 18-10-0. Op 26 maart 1711 wordt Aaltje Wilmsen gewaarschuwd om voor haar misbruik te betalen. Tot 7 februari 1724 wordt de oprukking niet betaald. Sinds de dood van Wilm Aartsen is het goed ‘ongekwalificeerd’ bezeten en er is geen stedigheid en tins betaald. Aaltje Wilms, die getrouwd is met Steven Aaltsen betaalt alle onbetaalde rekeningen en verkrijgt investituur.

Aalt Stevensen woont in de buurschap Halvinkhuizen. Hij is de zoon van Steven Aaltzen en Aaltje Wilmsen. Wanneer hij na de dood van zijn moeder in 1721 in het bezit van beide goederen komt, begint ook hij weer met een forse schuld. Beide goederen zijn afkomstig van zijn moeder Aaltje Wilms. Haar vader Wilm Aartsen, haar bovengenoemde oom (Steven Aartsen) en twee tantes (Metje en Geertje Aartsen) bezaten ieder een vierde deel van deze goederen. Als oudste bezat Wilm Aartsen ook de zaalweer van beide goederen. Als de hoofdbezitter en verantwoordelijk voor het (financiële) beheer van de goederen had Wilm de verdeling met zijn broer en zussen moeten regelen met toestemming van beide kloosters. Bovendien hadden zijn broer en zussen en hun kinderen hun deel geheel of gedeeltelijk onderling aan elkaar verpand. Ook deze handelingen waren zonder toestemming van de kloosters gebeurd (zie 4. Schema).

Uiteindelijk dagen de gevolmachtigde van het klooster Elten, Johan Hendrik van Schlaun, die verblijft op de Kemna in Appel en Christiaan Reherman, kelner op de kelnarij te Putten, Aalt Stevensen in 1750 voor het Hof in Arnhem. Op 17 december 1750 veroordeelt dit Hof Aalt voor zijn vele ‘misbruiken’ van beide goederen. Voor de rechtszaak heeft de kelner nog een eerder genoemde schema gemaakt om duidelijk te maken wie van Aalts familie welk deel van de goederen in bezit heeft (zie 4. Schema). De afgespliste delen van het goed komen voorzover zij niet verkocht zijn, vrijwel geheel weer terug in de kern van het goed, de zaalweer. Aalt zal zich moeten kwalificeren als hoofdbezitter van beide goederen en nieuw consent moeten vragen voor de oprukkingen en de misbruiken sinds 1727 betalen. Zolang hij dat niet gedaan heeft zullen de eigenaars zich de opbrengsten van het land toe-eigenen. Het net rond Aalt Stevensen begint zich dan te sluiten. Na inventarisatie van zijn bezit en beslaglegging op al zijn goederen, raakt Aalt Stevensen in 1753 al zijn bezit definitief kwijt aan de beide kloosters.[vii]

4. Schema van de nakomelingen van Jan Aartsen en hun bezit van de abtsgoederen Groevenpael en Westphalingsgoed in Halvinkhuizen te Putten volgens een schema uit de 18e eeuw gemaakt door de kelner van Putten.

Bezat Aaltje Wilms met haar man Steven Aaltzen, de ouders van Aalt Stevensen, de zaalweer en een vierde deel van abtsgoed Groevenpael eensdeels, Steven Aaltzens halfbroer Jan of Johan Aaltzen bezat in die tijd de andere helft van Groevenpael, Groevenpael anderdeels, zoals hierna zal blijken.

5. Schema van het gezin van Reyertgen ten Hove en haar kleinkinderen als bezitters van Groevenpael anderdeels of Groevenpael secundum en het abtsgoed Scherpijn in Halvinkhuizen te Putten.

Groevenpael anderdeels of Groevenpael secundum

In het register van de overleden keurmedigen tekent de kelner in 1619 de keur op van Henrickgen van Mehn, de vrouw van de hierboven genoemde Egbert Jacobsen Schudder.[viii] Voor haar moet vanwege het bezit van de andere helft van het abtsgoed Groevenpael oftewel ‘het goed op het Hooge Eijnde’ 18 karolusguldens worden betaald. Egbert verkoopt twee jaar later zijn helft van Groevenpael met toestemming van de kelner aan Jan Woutersen en zijn vrouw Reyertgen ten Hove. Op 5 maart 1621 verkrijgt Jan Woutersen vervolgens investituur en oprukking van dit goed voor zes jaar. Hij geeft tegelijkertijd als onderpand voor vierhonderd karolusgulden de helft van Nijencamp in onderpand aan Egbert Jacobsen. De Nijencamp is een stuk land dat tot zijn helft van het goed behoort. Jan Woutersen kan dit land elk jaar op St. Lambertusdag inlossen door deze lening terug te betalen.

In 1637 accepteert Reyertgen ten Hove oprukking tot eind september 1642. Reyertgen is dan weduwe. Zij overlijdt in 1652 zonder ooit nog oprukkingen te hebben gevraagd. Vanaf 1642 resteren er dus een tweetal oprukkingen, die voor de kelner een schadepost van 17 karolus guldens en 16 stuivers elk opleveren. Daarnaast heeft Reyertgen ook geen tins en stedigheden betaald.

Jan Woutersen en Reyertgen ten Hove hadden samen een dochter genaamd Nennitjen. Jan Woutersen overleed op 22 augustus 1635 vóór zijn dochter Nennitjen. Jan Woutersen bezat onhorig zowel zijn deel van het abtsgoed Groevenpael als ook een ander abtsgoed, Scherpijn geheten, dat ook in Halvinkhuizen was gelegen. Scherpijn lag vroeger iets ten noorden van Groevenpael. Voor het bezit van Scherpijn werd zijn keur op 25-10-0 gesteld, die werd betaald door Reijertgen. Nennitjen Jansdr. is kort voor 18 februari 1641 overleden, de dag waarop haar keur door haar moeder wordt betaald met 46 gulden. Reyertgen had haar dochter bij haar huwelijk een jaar eerder met Ryck Gijsbertsen haar deel van Groevenpael meegegeven. Op 14 november 1652 betalen Reyertgens  zoon Aelt Aeltzen en zijn tweede vrouw Niesgen Stevens haar keur met 45 gl. Aelt Aeltzen is Reyertgens onechte zoon bij Aelt Jans Wijncoop (zie 5. Schema).

5. Fragment van de kadaster kaart van Putten 1832. Ten zuiden van het dorp in de rode cirkel ligt het (Grote) Hooge Eind (bewerkt door Jan van de Kraats).

Na haar overlijden laat de kelner zich adviseren door rechtsgeleerden over de rechtmatige opvolger van Reyertgen ten Hove. Is dat haar broer Kyll ten Hove of Aelt Aeltzen haar onechte zoon bij Aelt Wijncoop? Het advies luidt om de ene helft van half Groevenpael te laten vererven op de verwanten van Jan Woutersen en andere helft op die van Reyertgen ten Hove. In 1653 begint een rechtszaak tussen beiden. Op 27 juli 1654 ziet Arnt Melissen Schmit, een zoon van Melis Woutersen, die een broer was van Jan Woutersen, af van zijn recht op half Groevenpael. De reden ligt mede in het feit dat Aelt Aeltzen, vóór zijn huwelijk met Niesgen Stevens, getrouwd was met Woutergen Melissen, Arnts zuster (zie 5. Schema). Op die dag laat hij behalve half Groevenpael ook het abtsgoed Scherpijen, een halve deling hout in het Sprielderbos en een halve hoeve broek op het Huinerbroek, over aan Aelt Aeltzen. Arnt Melissen Schmit en zijn vrouw Grietgen Gerrits krijgen daarvoor in de plaats een huis en hof met het broek daaraan gelegen en een stuk land de Voskamp genaamd in de buurschap Norden en een deling hout in het Putterbos. Al deze goederen zijn gelegen in Putten.

6. Detail van kadaster kaart, sectie M Halvinkhuizen, blad 1 met ligging van Het Hooge Eind. In 1832: kadastraal M82.

In 1655 wordt uitspraak gedaan en wordt Kyl ten Hove als de rechtmatige opvolger aangewezen. Wel  moet hij Aelt Aeltzen compenseren. In het begin van 1655 belooft Kyl alle genoemde achterstallige posten te betalen, zodat hij vervolgens op 5 januari de investituur en oprukking verkrijgt van half Groevenpael. In 1660 spant Kyl een nieuwe zaak aan tegen Aelt Aeltzen. Hij verliest en moet de geëiste 573 gulden compensatie wel betalen. Ook Kyl laat vanaf 1660 na om oprukking te vragen. Tot aan zijn dood in 1668 resteren dan ook een tweetal oprukkingen, die net zo als voor Reyertgen elk 17-16-0 bedroegen. Zijn keur wordt op 26 juli 1668 betaald door de zoon van Aelt Aeltzen met 20 gld. In 1668 zou Aeltje, de dochter van Kyll ten Hove, om investituur en oprukking hebben moeten verzoeken. Zij doet dat echter niet. De kelner derft voor de investituur 8-16-0 en voor de oprukking 17-16-0 aan inkomsten. Uiteindelijk wordt er met de rechtszaken niets opgelost. Daarom besluiten Aelt Aeltzen en Aeltje Kyllen ten Hove dochter in 1670 hun delen van dit halve goed aan Johan Aeltsen over te dragen. Johan Aeltsen is de enige zoon uit het eerste huwelijk van Aelt Aeltzen met Woutertijen Melissen. Deze Johan Aeltsen die ook af en toe Jan Aeltsen Wijncoop wordt genoemd is getrouwd met Enneken Evers.

Op 7 januari 1671 verzoekt Aelt Aeltzen, alsvader van zijn onmondige kinderen Woutertjen, Reijertjen, Steven en Thonis Aeltsen verwekt bij zijn tweede vrouwNijschen Stevens,goedkeuring van een gift uit Groevenpael van twee kampjes land genaamd de Pas ende Nieuwenkamp in ‘Halvinkhuisen’ en een half vierdel in het ‘Halvinckhuiser broick’ aan zijn kinderen voor hun moeders erfenis. De kelner gaat akkoord met deze dispositie op voorwaarde dat zij ‘naer natuir des goedes regulieren ende qualificieren gehouden sijn sullen’.

In 1671 heeft Johan Aeltsen het abtsgoed Scherpijn van zijn vader geërfd, dat hij samen met half Groevenpael of Groevenpael anderdeels tot zijn dood in 1708 bezit. In 1710 en 1711 verkoopt vervolgens zijn zoon Evert Jansen dit halve Groevenpael en Scherpijen aan Hendrik Noeijen. In die jaren was zijn halfbroer Steven Aaltzen door zijn vrouw Aaltje Wilmsen formeel in het bezit van Groevenpael eensdeels. Hoewel het tot 1734 duurde voordat zijn helft weer tot een geheel was gebracht. Heel kort na de splitsing van het goed Groevenpael in 1617 heeft het goed honderd jaar later nog eens vrijwel in zijn geheel aan de kinderen van Reyertgen ten Hove toebehoord. Daarna zijn de halve goederen weer in twee delen door anderen bezeten.[ix]

Met dank aan Jan van de Kraats voor gegevens uit het kadaster en over dit goed.

Een eerdere versie van dit artikel is verschenen in Gens Nostra, 85, pag. 264 (2020).

Noten

GA = Gelders Archief.
GA AKP = Gelders Archief, 0234 Archief van de Kelnarij van Putten.
GA VERP = Gelders Archief, 0008 Staten van het Kwartier van Veluwe en hun Gedeputeerden, inv. nr. 293 Verpondingskohier Putten 1650.
STAMA = Staatsarchiv Münster, Abdinghofakten.


[i] Horigheid is eerder aan de orde gekomen in Gens Nostra, jaargang XLV, nr. 2, pag. 45 (1990).

[ii] GA AKP, regest 45.

[iii] GA AKP, inv. nr. 129, num F.

[iv] STAMA, inv. nr. 434, fol. 71.

[v] STAMA, inv. nr. 434, fol. 106a.

[vi] GA VERP inv. nr. 293, fol. 131v.

[vii] Zie voor deze afloop: De Graver, uitgave van de Stichting Puttens Historisch Genootschap maart 2016 en december 2016.

[viii] STAMA, inv. nr. 434, fol. 158a.

[ix] Zie voor meer informatie: https://odeeby.wordpress.com/.

Genealogisch onderzoek en horigheid

Onderzoek naar onze voorouders vóór 1800 begint meestal met het bestuderen van archiefbronnen, zoals doop- trouw- en begraafboeken (dtb). Wanneer deze bronnen volledig zijn en wanneer de voornamen, achternamen of patroniemen niet al te veelvuldig voorkomen kan vaak al snel een nieuwe generatie toegevoegd worden aan de voorouderreeks. Op de Noordwest-Veluwe dekt een doop- of trouwboek al gauw het grootste deel van de inwoners van plaatsen of dorpen af, waardoor de kans dat een nieuwe generatie voorouders onvindbaar is afneemt, tenzij die in een andere plaats of dorp gezocht moet worden. Dan dienen de bronnen van deze plaatsen of dorpen te worden onderzocht. Toch kan het onderzoek bemoeilijkt worden door het gebruik van veel voorkomende patroniemen zonder achternamen of door ontbrekende bronnen in deze tijd. Alleen afgaan op kandidaat voorouders op basis van patroniemen en vernoeming van kinderen is een hachelijke zaak. Dan wordt het moeilijker om te bepalen welk het juiste ouderpaar is van een verre voorouder.

Archieven die handelen over de horigheid, dat wil zeggen over horige personen en horige goederen, zoals boerderijen en land, vormen een belangrijk alternatief voor dtb-boeken. Zeker wanneer de horigheid wijdverbreid was, zoals op de Veluwe. “Horige” archiefbronnen zijn gestoeld op genealogie. Immers de “horige status” erfden kinderen van hun moeder als die horig was. De meisjes in het gezin van de horige moeder gaven die status weer door aan hun kinderen, enzovoort. Voor de “heer” van die horigen was het belangrijk om de matrilineaire afstamming te kennen en vast te leggen. Horigen betekenen namelijk inkomsten voor de heer, zoals bijvoorbeeld hoofdtins, keurmede of versterf, die horigen of hun nabestaanden moesten betalen. Behalve deze persoonsgebonden verplichtingen bestonden er ook allerlei verplichtingen gekoppeld aan het horige goed of horige land dat een horige bezat. De heer had dus ook belang bij een goede registratie van de bezitters van zijn horige goederen en van hun aan het goed of de grond verbonden betalingen. Tot die verplichtingen behoren onder andere: het betalen van (grond)tinsen, tienden, stedigheid (jaarlijkse erfpacht als deel van de oogst), investituur of belening met het goed, oprukking, en dergelijke. Termen die verderop nog aan de orde komen. Het horig bezit ging bij voorkeur over van vader op zoon, eventueel op de dochter of een neef of nicht. Door de achtereenvolgende bezitters chronologisch op een rijtje te zetten wordt vaak een patrilineaire afstammingsreeks zichtbaar. De wereldlijke of geestelijke heer voerde daarom een nauwkeurige administratie om zijn inkomsten veilig stellen.

Horige personen
Het voordeel van de bestudering van “horige” archieven is dat de onderzoeker regelmatig meerdere generaties voorouders in één enkel document kan vinden. Een van de fraaiste voorbeelden daarvan is een akte in het Archief van de Kelnarij van Putten, die zich bevindt in het Gelders Archief (GA) (zie afb. 1).

De Kelnarij van Putten stond onder leiding van de kelner en enkele huisgenoten, die optraden als rentmeester voor het in Duitsland te Paderborn gelegen klooster Abdinghof. Door schenkingen verkreeg dit klooster in de middeleeuwen veel goederen en land op de Noordwest-Veluwe. Het centrum van die goederen wordt gevormd door Putten, Nijkerk, Voorthuizen en Ermelo. Het gaat om meer dan honderd goederen, meestal boerderijen, en om land, bijvoorbeeld in de Arkemheen. De kelner beheert al deze goederen en houdt de administratie van alle bezitters en horigen verbonden aan deze goederen bij.

Lees verder (gepubliceerd in “Veluwse Geslachten, Jaargang 45, pag. 8, 2020):

Lees verder

Herengoed Oesekengoed of Wolter Dijcksgoed in Diermen te Putten

Herengoed (Wolter) Oesekengoed of Dijcksengoed in Diermen te Putten

Ligging Diermen te Putten.
Omschrijving 1624: herengoed bestaande uit huis, hof en 6 morgen land.
Lasten 1625: 1 rijsvoeder

Handelingen betreffende dit goed

Chronologie Handelingen
8-3-1616 Elisabeth vander Hell verkrijgt investituur en oprukking, als erfgename van haar broer en zuster Cosijn en joffer Mechtelt vander Hell. Bij magescheid in 1594 heeft  ieder de helft gekregen.
20-12-1621 Mathijs Rijck q.q. contra Arisken Collarts, wed. van Claes van Steenler, betreffende herengoed Wolter Dyx of Wolter Osykengoed onder Putten, buurschap Diermen ([GA CPH] inv. nr. 5085, proces 1621/17).
15-1-1623 Matthijs Rijck, sergeant en zijn vrouw Elisabeth van Hell verkrijgen oprukking en approbatie van een verpanding van 2½ mergen gelegen boven Diermen, die Killert Huigen heeft gekocht van Henrick van Hell.
15-1-1623 Gijsbert Killen en zijn vrouw Grietgen Wijnekes verkrijgen oprukking na transport door Matthijs Rijck, sergeant, en zijn vrouw Elisabeth van Hell van de helft van genoemd herengoed hetwelk tot een bijzondere zaalweer wordt gemaakt.
16-6-1624 Henrick van Nulde, enige zoon van Rijcket van Nulde, verkrijgt oprukking na transport. Elisabeth van Hell, vrouw van Matthijs Rijck, is bij sententie van 20 december 1620 veroordeeld om, als erfgenaam van Henrick van Hell, opdracht te doen van Oesekens goed ten behoeve van Rijckelt van Nulde, vader van Henrick van Nulde. Zij heeft dat niet gedaan. Op verzoek van Rijckelt werd in plaats van de opdracht de sententie geregistreerd door het Hof op 14 juni 1624. Henrick van Nulde krijgt, geassisteerd door Dr. Everhardt van Staverden, oprukking. Bij deze acte is een copie gevoegd van de sententie van 20 december 1621 en de acte van 14 juni 1624. Hieruit blijkt dat: het proces is gevoerd door Matthijs Rijck en zijn vrouw Elisabeth van Hel tegen Arisken (Andrea) Collert, vrouw van Rijcket van Nulde. Dit goed is als vrij tinsgoed verkocht terwijl het een herengoed is. Het goed wordt ook Wolter Dijcks goed of Wolter Oesekens goed genoemd.
ca. 1625 Rijsvoeders van Oeseken-, Wouter Osijken– of Wouter Dijcksgoed betaald tussen 1625-1667:
(Boven geschreven:) Ricolt Henrix van Nult geerft.
Henrick van Nulde quondam Arisgen van Steenler voor hen Henrick Henrix Ruijter cum suis bevoorens Casijn van Hell Gijsberts  gent. Osicken goet ofte Wouter Ricxs (=Dixs) goet j rijsvoder ([GA REK] inv. nr. 1488, fol. XXXIX).
ca. 1625 Rijsvoeders van Oesekengoed: betaald 1629-1654, de 11 april 1676 & decemb.  1677 door Reijn Rutgers beth[aelt] wegens sijn soon Gerrit Reijnders den overpander tot Petri 1667
(Boven geschreven:) Gijsbert Killen nempt vermogens acte vande Camer van dato den 15 januarij 1623 van Osicken ofte Wolter Dijcxs goet wijderen inholt oir accoort ende maechgescheit de regte helfte vurtz dat hij sal betaelen heeren geen geheel — J (1/2) rijsvoder
Rijsvoeders van Oesekengoed: betaald 1625-1637, den 21 martij 1657 de pander ontfangt 14 jaeren tot 1651, en ick 1652-1667
(Boven geschreven:) Everdt Gerrits gecoft.
Gijsbert Killen toe Dierumb quondam Dewss Wolterssen Collert voorhen Reiner van Oldenaller  — J (1/2) rijsvoder ([GA REK] inv. nr. 1488, fol 40).
26-11-1626 Henrick van Nulde verkrijgt consent voor het houwen van bomen.
7-4-1627 Gerrit Everts, Willem Everts, Janneken Everts en Nijsgen Gijsberts, beiden geassisteerd met hun broer Willem Everts, Goert Melis, als bestevader van de onmondige kinderen van zaliger Aerts Everts verkrijgen consent voor de verpanding aan Gerritken Peelen, weduwe van zaliger Cornelis Suick van 2½ morgen lands genaamd Honskamp met huis en hofstede daarop staande
15-4-1629 Ghijsbert Killen en zijn vrouw Grietgen Wijnekes verkrijgen oprukking.
29-6-1630 Henrick van Nulde verkrijgt oprukking.
6-11-1630 Gijsbert Killen verkrijgt consent voor de verpanding aan Jacob van Tijlen van een stuk land genaamd Gouwenkamp.
7-3-1633 Gerrit Everts, mede als momber van de kinderen van zijn overleden broer Henrick en zuster Jannitgen Evertss, verkrijgt consent voor de verlenging van een verpanding aan Gerritken Peelen, weduwe van Cornelis Zuijck, van 2½ morgen land genaamd Honscamp met huis en hofstede, zijnde een dependent van het herengoed.
29-3-1634 Henrick van Nulde Rijcksz contra Gijsbert Killen, betreffende het vrij herengoed onder Putten. Wolter Dycks of Osikengoed te Diermen ([GA CPH] inv. nr. 5137, poces 1634/10).
23-2-1635 Henrick van Nulde contra Marritgen Aertsen. wed. H. Jansz. bertreffende het herengoed Wolter Dijcksgoed of Osikengoed genaamd, te Diermen, kerspel Putten ([GA CPH] inv. nr. 5145, proces 1635/8).
7-8-1635 Jan en Lubbert Gerrits, gebroeders, verkrijgen approbatie van de verpanding aan hun neef Henrick Henricksen Ruijter van een morgen land genaamd Ganseweij.
16-1-1636 Rijckelt van Nulde, onmondig, verkrijgt investituur en oprukking, als erfgenaam van zijn vader Henrick van Nulde.
3-5-1652 Rijckelt van Nulde verkrijgt oprukking.
6-5-1658 Rijckelt van Nulde verkrijgt oprukking.
23-5-1664 Rijckelt van Nulde verkrijgt oprukking.
20-2-1671 Rijckelt van Nulde verkrijgt oprukking.
2-3-1688 Aleijda van Nulde verkrijgt investituur en oprukking, als erfgename van haar vader Rijckholt van Nulde.
26-3-1688 Aleijde van Nulde verkrijgt consent om hout te hakken.
5-1-1690 Kill Willemsen verkrijgt transport na overdracht door Jan, Claes en Steven Ham, en Aert Pelen van Slichtenhorst en hun huisvrouwen van het recht op pandschap van 2½ morgen land genaamd den Hontscamp, met huis, berg en schuur, dat zij geërfd hebben van Cornelis Jansen Zuijck en zijn vrouw Aeltien Hammen.
14-7-1696 Aleijda van Nulde verkrijgt oprukking.
24-8-1698 Maria Wobina Wolffsen verkrijgt investituur en oprukking, als erfgename van haar tante Alijda van Nulde.
29-7-1710 Oprukking.
24-12-1750 Wij hier onder benoemde en getekende magescheits vrienden hiertoe specialijk versogt, doen kond en sertiviseeren, dat wij een vriendelijk, erflijk en onverbrekelijk erf magescheid hebben beraamt gedeedigt en gesloten tussen Pilgrom Derck Wolfsen luijtenant van de cavallarij in dienst van den staat der Verenigde Nederlanden, Arnolda Wolfsen geassisteerd met haaren bruijdegom Willem Botter Heurdt, der regten doctor, mr. Heribert van Westerveld, burgemeester der stad Harderwijk en curator van de Provinciale Academie aldaar, en mr. Johan Schrassert secretaris van welgemelde stad als bij heeren van de magistraad genomineerde vooghden, nevens den eerst genoemde condivident van Henderick Gijsbert Wolfsen en Johanna Aleida Wolfsen, zijnde de principaale convidenten te samen kinderen en erfgenamenvan weijlen de heer Arnold Richard Wolfsen, in leven oud burgemeester van Harderwijk, en vrouwe Johanna van Dompseler echteluijden, ende sulks over de alinge nalaatenschap en boedel van de condivitenten ouderen voornoemt, in volgenderwijse. Na dat den gereden boedel ten deele verdilt, ten deele ten gelde gemaakt, ende daar van bij een ijder sijn portie getrokken ware geworden.
Zijn aan Pilgrom Derck Wolfsen als oudste soon voortreckt (verstreckt) sijner primo geniture aan de leen heeren abtsgoederen, in den boedel gevonden werdende, competerende uijt den alinge nalatingschap geassigneert en vooruijtgegeven, gelijk ook den delven (selven) daar voor tot sijn genoegen en tot voldoeninge sijner primo geniture bekent ontfangen te hebben de volgende goederen: de saelwehr en landerijen van en onder het erve en heerengoed Osekengoed genaamt, in den ampte van Putten buurschap Diermen geleegen, een en een half morgen mehenland gelegen onder Nijkerk de Luijse maate genaamt met twee mudde rogge jaarlijks gaande uijt ’t goed van do Philippus Wentholt zijnde leengoed onder den huijse Oldenaller, een en een halve deilinge houts in het Speulderbosch, ende een hofje onder Harderwijk aan ’t Raamtje gelegen vervolgens zijn van alle des boedels overige goederen (van wat nature die ook mogten zijn) gemaakt vier bijsondere loten, geschikt na de priseringe, waar op deselve bevorens door onpartijdige getaxsaturs in de respective districten getaxseert waren geworden. Namentlijk1 lot

1 erve in Hierden, onder Harderwijk Overkamp genaamt 10200-0-0
Groote kamp bij Grevenhof 600-0-0
Bijltje en ’t houtgewasch 400-0-0
Messemakersland 600-0-0
½ schepel van Rijket Reijersen 50-0-0
11850-0-0

van de voorstaande latus

Postland  450-0-0
Snippendaal en Soomakker 400-0-0
Holscamp 750-0-0
akker daar agter 900-0-0
Spaansche Paard 750-0-0
2 mergen mehenlands Bentinks Polletje 900-0-0
2 mergen de Koekencamp 900-0-0
50 boomen in de Gorteler bosch 650-0-0
Hoeve op Reijbroek 900-0-0
17808-0-0
     keert uijt 84-15-0
     dus bleijft 17723-5-0

2 lot

’t erve de Horst tot Epe 7150-0-0
50 boomen in de Gorteler bosch 650-0-0
Elsakkers thiend in Dornspijck onder Elburgh 1000-0-0
8 gresch bij Elburgh 766-0-0
’t Hulshorster lantje met een paar tinshoenderen 50-0-0
Huijs en schuur binnen Harderwijk 3100-0-0
2 huijsjes daar agter 300-0-0
Hof in de touwbaan 500-0-0
3 morgen de Beeklam onder Putten 1400-0-0
3½ mergen de Paalkamp 1600-0-0
Camp aan de Weijsteeg onder Harderwijk 1100-0-0
2 mergen veenlant 50-0-0
17666-0-0
     krijgt toe vant 1ste lot 57-5-0
     dus maakt 17723-5-0

3 lot

3 kampen aende molenkolk onder Barneveld 1750-0-0
’t Erve Bitterschooten onder Barneveld 3400-0-0
’t Erve Pepersgoed onder Barneveld, ten deele leengoed 8000-0-0
’t Erve Zuijdtwijk onder Putten 1900-0-0
3½ morgen de Fraaterscamp, onder Nijkerk 1400-0-0
2 mergen het Nieuwe land onder Putten 600-0-0
31¼ boomen in de Gorteler bosch 406-0-0
Smalle tiend uijt Kleijn Hell onder Putten 150-0-0
’t hofje in Huijnen en ¼ in ’t Huijnderbroek 125-0-0
    keert uijt 17731-0-0
7-15-0
    dus bleijft 17723-5-0

4 lot

⅓ in ’t erve Zeggelaar onder Ede 2000-0-0
’t Erfje Klein Telgt onder Ermelo 1992-0-0
’t Erve Krommenhorst en Haterbosch onder Nijkerk 2500-0-0
Huis tot Nijkerk 2000-0-0
1½ hoef op Rijbroek 130-0-0
1½ mergen de Roemer onder Nijkerk 900-0-0
2 mergen de Kuijlen 200-0-0
⅓in 2 mergen ’t Suijker campje 175-0-0
5 schepels in de Putter Enck 225-0-0
’t Erve Gerverden, onder Putten absgoed 5300-0-0
Klemmeken of Domme camp onder Ermel 1600-0-0
17688-0-0
       komt bij van ‘t eerste lot 27-0-0
       en van ’t derde lot     7-15-0 35-5-0
               dus maakt 17723-5-0

over welke voorstaande vier looten het blinde lot getrokken sijnde toegevallen het eerste lot aan Henderick Gijsbert Wolfsen, tweede lot aan Johanna Aleida Wolfsen, derde lot aan Pilgrim Derck Wolfsen, vierde lot aan Arnolda Wolfsen welke eenen ijderen aangedeijlde goederen van nu af zullen zijn en blijven tot schaade en baate van de respective lot genooten, zullende de verpondinge ad 1749 en extra ord. 1750 en voorts alle ander reële lasten over 1750 incluis uijt ’t gemeen gesuijvert ende de pagten over den jaare 1750 in het gemeen geprofiteert worden. Cederende en transporterende dien volgens de condividenten de eene d’andere hunne aangedeelde goederen en perceelen in eenen erflijken en stedigen eijgendom met belofte van deselve te zullen wagten en wahren nu en namaals als erfmagescheits regt is na de nature der goederen. Blijvende de kosten op de approbatie en eerste beleeninge ten respecte der onvrije goederen tot gemeine lasten gelijk mede tot gemeine lasten bleijven de de uijtschulden op den boedel zijnde tegens het gemeijne profijt der inschulden waarvan de invorderinge en voldoeninge met gemeijn concert aan een volmagtiger zal werden  gedemandiert, die daar van tot gemein genoegen rekening en relijqua zal moeten doen, waar na de verdere vereffinge van dien tusschen de condividenten alsdan zal komen te volgen. Blijvende voor als nog mede nog gemein en onverdeilt de goederen van der condividenten oud oom de heer Ernst van Dompseler in leven oudscholtis van Brummen die nog bij des selfs weduwe werkelijk in tugt werden beseten. Zoo als ook de jaarlijkse seven en vijftig guldens, welke deselve weduwe volgens accoord wegens Pepersgoed (na aan de heer Pilgrom Derck Wolfsen in het 3e lot toegedeelt) haar leven lang moet trekken blijven tot gemeine lasten. Zoo als insgelijks gemein en onverdeilt blijven de goederen in Noort Holland gelegen uijt den boedel van Middagten geprovenieert en met des selfs erfgenaamen pro indiviso al nog beseten wordende. Item een een (2x) thinsje tot Nijkerk ende voorts all t geene sig nader mogt opdoen en bij dese verdeling mogte sijn vergeeten geweest. Waar mede bovengenoemde condition ten bekennen in alle vriendschap haaren ouderlijken boedel te hebben geschift, gescheiden en gedeilt, sonder dien aangaande ijts op elkanderen te prætenderen te houden, met belofte van het effect deser in alle goede trouwe te zullen nakoomen en aan een ijder te laaten geworden. Ten allen welken eijnde (nadat desen door de heeren van de magistraad der stad Harderwijk als over momber heeren van de twe minderjaarige ware geagreëert en geapprobeert) wij ondergeschrevene door de condividenten daar toe versogte magescheits vrinden en dedingsluijden ook soo veel nodig leenmannen van de respective leenkameren van desen furstendoms en graafschap den Huijse Oudenaller en St Marien ’t Utrecht, desen magescheitsbrieve waar van vier eensluidende zijn nevens de condividenten hebben getekent en gesegult in Harderwijk op den 24 decemb 1750 en was getekent met agt segels

A. v. Westervelt P.D. Wolfsen
Arnold Pronck Arnolda Wolfsen
W.W. Westervelt H. van Westervelt
N. Schrassert Johan Schrassert

geregistreert den 25 meert 1751

L. Staal onderscholtis  bij dispositie van G. van Diermen ([GA AKP] inv. nr. 863, Gerwerden, fol. 201v).

22-1-1751 Pilgrom Derck Wolfsen, luitenant van de cavalerie, verkrijgt investituur en oprukking na approbatie van een magescheid d.d. 24 december 1750 tussen hem en Hendrick Gijsbert en Johanna Aleijda Wolfsen over de erfenis van hun ouders Arnold Richard Wolfsen en Johanna van Dompseler, echtel., waarbij dit herengoed hem is toebedeeld.
18-1-1754 Pelgrom Derck Wolfsen, luitenant van de cavalerie,  verkrijgt oprukking.
14-6-1782 Mr. Henrick Gijsbert Wolfsen verkrijgt investituur en oprukking. als erfgenaam van zijn broer Pelgrom Derk Wolfsen.
29-11-1782 Lubbert Melissen en zijn vrouw Maria Rijmerts zijn schuldig aan Willem Campert en zijn erfgenamen een som van 1050 caroli guldens ad 20 stuivers hollands het stuk en beloven vanaf de eerste verschijnsdag op 5 november 1783 jaarlijks drie gulden en 10 stuivers van elke honderd gulden tot aan de finale aflossing te betalen. Als speciaal onderpand verbinden zij het erf en goed Osekensgoed, zijnde een zaalweer en heerengoed, bestaande in een huijs, twee tabaksschuren, (hooi)berg en verder getimmer, opgaand hout en houtgewassen, hof en hofstede en ongeveer negen en een half morgen aan tabak-, zaai- en weilanden, gelegen in de buurschap Diermen te Putten, zoals dit op 5 november 1782 door mr. H.G. Wolfsen is getransporteerd ([GA PROT] inv. nr. 864, fol. 221; scan 864-0206).
8-1-1783 Lubbert Melissen en zijn vrouw Maria Reijmerts verkrijgen investituur en oprukking na transport door Mr. Henrick Gijsbert Wolfsen.
8-1-1783 Lubbert Melissen en zijn vrouw Maria Reijmerts verkrijgen approbatie van een verband ten behoeve van Willem Campert.
18-2-1787 Lubbert Melissen en zijn vrouw Maria Reijniers verkrijgen oprukking.
Bron: [Hereng] dl. 2. nr. 235.

Terug naar: Herengoederen menu.
Laatst bijgewerkt: 27/07/14.
Copyright©OGR

De bezitters van de Beitel of Neudeclaesgoed in Bijsteren te Putten

De bezitters van de Beitel of Neudeclaesgoed in Bijsteren te Putten

Inleiding
Ten zuidoosten van Huis Bijstein in Bijsteren ligt de boerderij ‘de Beitel’. De huidige Beitelweg ontleent haar naam aan een voorganger van deze boerderij op nummer 7
i. De Beitel heeft zoals we zullen zien een rijke historie. Op de kadasterkaart van 1832 is de locatie van het oude goed te zien. Huis en erf hebben het kadastrale nummer 291. De bijbehorende percelen bouwland, hakhout, boomgaard, tuin, heide en dennenbos (nr. 287-293 en 340-349) worden duidelijk zichtbaar op de door Jan van de Kraats ingekleurde kadastrale kaart (zie fig. 1).ii Zoals elke oude boerderij in Bijsteren en Halvinkhuizen had de Beitel daarnaast ook percelen bouwland in de Puttereng en hooiland in de Arkemheen. In 1829 bestaat dit goed uit een huis en erf met schuur, schaapschot, hooiberg, varkenshok en onderhorige bouw-, weide- en driestlanden met de daarop staande bomen en houtgewassen. Het beslaat dan in totaal 8 bunders, 51 roeden en 60 ellen.iii

1832

Figuur 1. Detail van ingekleurde kadaster kaart Beisteren 1832 met het goed de Beitel.

De eerste decennia van de 19de eeuw brengen grote veranderingen in het landschap van Putten. Kunnen we op de kadasterkaart van 1832 nog de contouren herkennen van een eeuwenoude verdeling van de gronden rond de boerderijen met de omliggende heide, al snel daarna verandert de kaart.
Al in 1833 verkopen de eigenaren van de Beitel hun percelen in de Puttereng die bij dit goed horen aan Jan Harmelink, wever in Putten.
iv Het gaat daarbij om een drietal percelen: een stuk bouw en driestland groot 1 bunder, 20 roeden en 63 ellen, een stuk zaailand van 28 roeden en 36 ellen en nog een stuk zaailand van 14 roeden en 18 ellen. In totaal 1 bunder 63 roeden 17 ellen. Wanneer we dit totaal aftrekken van de bovengenoemde 8½ bunders lagen er dus direct om het erf de Beitel ongeveer 7 bunders land.
In 1843 wordt het ‘Bijstersche broek’ verdeeld onder de bouwhoven in Bijsteren die vanouds recht hebben op het schapen drijven en plaggen steken op de heide in dit broek. Tot die oude erven behoren voor een vierde deel de bouwhof de Beitel en eveneens ieder voor een vierde deel het Ozijken/Osekengoed en het goed ‘Ten Hoven’ of ‘Voor het Hek’ (later bekend als ‘de Oude Deel’, nu als rijschool Roordink), beide iets ten noorden van de Beitel gelegen. Voor een achtste deel de bouwhof ‘de Kraak’, voor een zestiende deel Kluppels- of Davelaarsgoed en voor nog een zestiende deel Pepersgoed (zie fig. 1). Zij verdelen de kadastrale nummers 281, 282, 287, 289, 357, 358, 360, 363bis, 374, 375, 377, 379, 382-386 van sectie L (Beisteren) en 236 en 237 van sectie M (Halvinkhuizen). Zoals op de kaart te zien is grensde dit heidegebied direct aan de zuidzijde van de Beitel. Deze percelen zijn dan nog vrijwel onontgonnen, maar ‘vatbaar voor meerdere ontginning’.
v Hieruit blijkt dus dat de Beitel een goed is van oude datum.

Pachters
In 1816 blijkt Bessel Hendriksen pachter te zijn van het erf de Beitel. In die tijd heeft het huisnummer 345. Op dat zelfde nummer overlijdt in 1813 zijn vader Hendrik Besselsen. Beide voeren zij de achternaam ‘van de Bijtel’. Wat logisch lijkt, maar deze achternaam blijkt niet afgeleid te zijn van het erf de Beitel in Beisteren, maar van een gelijknamig erf in Diermen. Tussen 1759 en 1766 verwerft vader Hendrik Besselsen, die toen in Diermen woonde, van zijn zes broers en zusters geleidelijk aan hun 1/7 deel van het goed de Beitel in Diermen. Dit goed was onder de zeven nog in leven zijnde kinderen verdeeld toen hun ouders, Bessel Henderickze en Metje Janze, rond 1749 overleden waren. Hendrik Bessels gaat door met zijn aankopen totdat hij 6/7 deel van dit erf in bezit heeft. Ondertussen heeft hij de nodige schulden gemaakt bij Jan van Staver(d)en aan wie hij dit 6/7 deel samen met zijn broer Wouter Besselsen, die nog het laatste zevende deel bezit, verkoopt.
vi Zijn zoon Bessel Hendriksen wordt pachter op Nulde Klaasgoed in Beisteren. Mogelijk is Bessels vader daar ook nog pachter geweest, omdat hij zoals gezegd op nr. 345 overlijdt. Hoe dan ook vader en zoon brachten dus de naam ‘van de Bijtel’ naar Beisteren. De naam van het oude Nulde Klaas of Neudeclaesgoed veranderde in ‘de Beitel’.

Eigenaren
Uit de kadastrale gegevens bij de kadasterkaart van 1832 wordt als eigenaar van de bovengenoemde percelen van het erf de Beitel in Beisteren vermeld ‘Geertje van Diest’. Dit leidt aanvankelijk tot enige verwarring omdat in alle akten verleden voor de notarissen in Nijkerk en Putten ‘Geertje Vliek’ als eigenaar wordt genoemd. Deze verwarring lost snel op wanneer duidelijk wordt dat Geertje een dochter is van Gerrit Elbertsen Vliek en Jannetje Elberts Wakker, die op 19 april 1778 in de kerk van Putten trouwden. Geertje wordt te Putten geboren op 24 mei 1786 en haar vader overlijdt daar al een jaar later op 19 april 1787. Haar moeder Jannetje hertrouwt een jaar later op 5 oktober 1788 met Willem Hendriksen van Diest. Geertje zal dus in het dorp een ‘van Diest’ genoemd zijn, terwijl zij officieel een ‘Vliek’ was. Geertje Gerrits Vliek trouwde op 2 december 1827 te Putten met Geurt Willemsen Woudenberg. Zij trouwen in gemeenschap van goederen en laten bij notaris Colenbrander in Nijkerk vastleggen wat zij in dit huwelijk inbrengen. Geurt brengt 500 gulden aan geld en 200 gulden aan kleding, goud en zilverwerk. Geertje brengt behalve een stoel in de kerk van de Hervormde Gemeente veel onroerend goed, geld, kleding en zilverwerk in. Onder de onroerende goederen bevindt zich ook het ‘Nuldeklaasgoed dat ook wel de Beitel wordt genoemd’. Geertje had dit goed van haar moeder Jannetje Elbertsen Wakker geërfd na loting met haar zuster. Geurt werkte in 1827 als bouwknecht bij deze zuster van Geertje, Aartje Gerrits Vliek, weduwe van Willem Nuijen van Dasselaar. Geertje en Aartje woonden samen op het erf Oudenhoven in Nulde. Dat Geurt meer was dan een bouwknecht die met de niet onbemiddelde Geertje trouwde blijkt uit onderstaand schema van verwantschap van Geertje (fig. 2).

schema Beitel

Figuur 2. Schema van verwantschap van Geertje Gerrits Vliek 1786-1861.

Vroegere bezitters en hun verplichtingen
Geertje Gerrits Vliek erfde Nuldeklaasgoed dus van haar moeder Jannetjen Elberts. Jannetje kwam in het bezit van dit goed als gevolg van een magescheid uit 1788. De kelner van de Kelnarij van Putten, beheerder van de goederen van het klooster Abdinkhof te Paderborn, had daarvoor toestemming gegeven. Nuldeklaasgoed of beter Neudeclaasgoed was vóór 1811 een volschuldig hofhorig abtsgoed van dit klooster. De eigenaar van dit goed was dus het klooster en de voorouders van Jannetje waren de levenslange bezitters van dit goed zolang zij aan alle (financiële) verplichtingen voldeden. Tot de verplichtingen behoorden o.a. betaling van de keur (het beste stuk uit de nalatenschap van de bezitter of de waarde daarvan), de hoofdtins (jaarlijkse belasting), stedigheden (de 3
e of 4e garve van de opbrengst van de oogst), betaling van de zes jaarlijkse oprukking (telkens zes jaar uitstel om horig te worden, zoals elke bezitter verplicht was te doen, naar de natuur van dit goed), betaling van de investituur (erkenning als bezitter van het goed) en diverse hand- en spandiensten voor de Kelnarij in Putten. De voorouders van Jannetje hadden dit abtsgoed in 1628 verworven door aankoop van de ene helft van dit goed van Reijner Petersen en de andere helft van Brandt Ellersen. In feite ging het niet om een compleet goed maar om bij elkaar 11/12 van dit goed. Het resterende 1/12 deel was eerder, in 1604, meegegeven aan het Weeshuis te Harderwijk, waar twee weeskinderen van een vroegere medebezitter van dit goed werden opgenomen. Met de inkomsten uit dit 1/12 deel konden de uitgaven voor de weeskinderen bekostigd worden. In onderstaande tabel zijn de opeenvolgende bezitters van Neudeclaasgoed opgenomen (zie tabel 1).vii

Periode Bezitters van Neudeclaesgoed door
1628-1652 Echtpaar Melis Jansz Wijncoop en Mettyen Everts Aankoop van beide helften van het goed
1652-1662 Kinderen van dit echtpaar Vererving ouders op kinderen
1662-1665 Echtpaar Jan Melissen Wijncoop en Aeltjen Bartsen Verdeling erfenis tussen kinderen
1666-1678 Aeltjen Bartsen Als getuchtigde van haar overleden man
1678-1698 Melis Jansen Wijncoop, ongehuwde zoon Vererving moeder op zoon
1698-1705 Kill Wilmsen namens zijn vrouw Metje Jansen Wijncoop, zuster van Melis Jansen Wijncoop Vererving broer op zuster
1707-1740 Echtpaar Jan Killen en Marretien Aerts van den Hee Vererving ouders op oudste zoon
1741-1781 Echtpaar Elbert Wijniken Wakker en Geertje Jans van Wijncoop Vererving ouders op dochter
1781-1788 Kinderen van dit echtpaar Vererving ouders op kinderen
1788-1819 Echtpaar Willem Hendriksen van Diest en Jannetje Elbertsen Wakker Verdeling erfenis tussen kinderen

Tabel 1. De voorouders van Jannetje Elbertsen Wakker die achtereenvolgens Neudeclaasgoed hebben bezeten.

In 1650 geeft de verponding in Halvinkuizen en Bijsteren nog eens inzicht in de omvang en aard van de verplichtingen van Neudeclaasgoed. Zoals uit bovenstaande tabel al blijkt is Melis Jans dan bezitter en gebruiker. Het goed bestaat uit een huis en hof van 1½ spint, 5½ molder zaailand (3,3 ha), waarvan 6 schepel op de 4e garve en de rest op den 3e garve (d.w.z. hij betaalt met respectievelijk 25 tot 33% van de opbrengst van de oogst). Op het goed zijn 3 paarden en 3 koeien aanwezig. De getaxeerde pachtwaarde van het geheel wordt bepaald op 52 gulden, 6 stuivers, 0 penningen (52-6-0). De fiscale pachtwaarde wordt na 8% aftrek bepaald op 48-2-3. Verder van waarde is een kleine hoeveelheid heggenhout (houtwal). Op het goed rusten een aantal lasten: aan de Graaf van Bentheim 9-2-0 aan herengeld, 0-13-0 aan de Rentmeester van Veluwe, 1-0-0 aan rijsvoeder aan de Rentmeester, 1 mud aan de kelner voor stedigheid. Daarnaast heeft Melis Jans nog 1 schepel op de 3e garve waarvoor hij belast wordt met 2-0-0.viii

In 1681 betaalt het Neudeclaasgoed aan de Kelnarij de Halvinkhuijser thiend voor de akkers op de Grote Enck bij het huis, en voor akkers in de Vlasstroet en achter Poepenburg in de Puttereng.

Nog verder terug
In tabel 2 zijn de bezitters van Neudeclaesgoed op een rij gezet van enkele jaren voor 1455 tot 1628. Het goed ontleent zijn naam aan de oudst bekende bezitter Neude Claes. In die tijd was het goed nog een zogenaamd proostgoed en behoorde het aan het St. Ludgerus klooster te Werden aan de Roer in Duitsland. In 1559 verwierf de abdij van Paderborn al de goederen op de Veluwe van het klooster te Werden. Sindsdien is Neudeclaesgoed een abtsgoed.

Periode Bezitters van Neudeclaesgoed door
v1455 Neude Claas bezitter proostgoed
1455 Echtpaar Arnt van der Stege en Aelheit Neuden Vererving vader op dochter
-1523 Kinderen en kleinkinderen van echtpaar Bardt Steffensen en Hebel Neuden: Gerrit Wilhemsen getrouwd met Steffentgen Bartsen en zijn kinderen Johan Henrixen getrouwd met Hebel Gerritsen en Metgen Geritsen Vererving van vrouw op haar zusters kinderen en kleinkinderen
1523-1560 Echtpaar Aelt Gerritsen en Griete Melis, dochter van Melys Dirck en Lubbertchen Bardt Verkoop aan nicht
1560-1569 Griete Melys weduwe van Aelt Gerritsen Vererving man op zijn vrouw
1569 Echtpaar Henrick Elberts en Griete Aelts Vererving vader op dochter met haar tweede man
1575 Kinderen van Andries Cornelissen en Elysabeth Aelts een aandeel in dit goed Vererving van vrouw op haar zusters kinderen
1577 Claes Casijns van Diermen zoon van Griete Aelts en haar eerste man Casijn van Diermen Vererving moeder op oudste zoon
1604 Weeskinderen Wolter en Aelt Cornelissen van Cornelis Andriessen en Mari Wolters krijgen 1/12 deel van dit goed mee Vererving van medebezitter op zijn kleinkinderen
1611-1628 Echtpaar Peter Reijners en Meinsje Hendricks dochter van Henrick Elberts en Griete Aelts van ½ goed Vererving van moeder op dochter
1611-1628 Brant Elbertsen zoon van Aeltgen van ½ goed

Tabel 2. Bezitters van Neudeclaesgoed tussen 1455-1628.

In 1523 wordt het proostgoed Neudeclaesgoed omschreven als volgt: “Neudeclaesgoett tot Halvinckhuijsen met alle sijnen toebehoren gelegen in Putterenck, ook op Halvinckhuijserbroick een hove, mede in Arcameda een camp geheten Wou(d)scamp omtrent vier mergen groott, noch eenen mergen gelegen achter Kluppelserff, noch 1 morgen in Arcameda. Item desselfs twee ro(e)den, noch eenen morgen geheten idt Voorste Slagh.”ix Woudskamp was in twee delen op gesplitst van 2 morgen. In 1642 was een deel aan Henrick Elberts meegegeven na zijn verloren proces tegen Melis Jansen Wyncop over het bezit van Neudeclaesgoed. Het andere deel was buiten het zicht van de Kelnarij verkocht. Neudeclaesgoed lijkt dus door de eeuwen heen tot het begin van de 19e eeuw min of meer van de zelfde omvang te zijn gebleven.

Zie voor meer details over de bezitters en hun genealogie:

Met dank aan Jan van de Kraats voor het verstrekken van enkele gegevens.

Dit artikel is verschenen in De Graver, maart 2018, Uitgave van de Stichting Historisch Genootschap Putten.

i Klaas Friso en Antoon Klaassen, Gaandeweg, Straatnamen in Putten (2006).

ii J. van de Kraats, Putten op de kaart uit 1832, De Graver, sept. 2017, blz. 13.

iii Gelders archief, 0168 Notarissen, inv. nr. 1127, fol.106.

iv Gemeente archief te Putten, notaris Gunning, d.d. 18-9-1833.

v Gelders Archief, 0168 Notarissen, Nijkerk, inv. nr. 3864, scan 179.

vi Gelders Archief, 0203 ORA Veluwe en Veluwezoom, inv. nr. 863, Diermen, fol. 286.

vii Belangrijkste bron voor deze chronologische opsomming is: Gelders Archief, 0324 Kelnarij van Putten, inv. nr. 268.

viii Gelders Archief, 0008 Staten van het Kwartier van Veluwe en hun Gedeputeerden, inv. nr. 293 Verpondingskohier Putten 1650

ix Gelders Archief, 0324 Kelnarij van Putten 1152-1829, inv. nr. 132, Woudscamp 1.

Het net sluit zich rond Aelt Stevensen ‘Kloekhals’

vervolg van ‘Het gat van Putten’(1)

Tijdens de nadagen van de horigheid worden bezitters van horige goederen geleidelijk aan eigenaars. Tot het einde van de 18e eeuw zijn de Duitse kloosters van Paderborn en Elten nog de eigenaars van tientallen horige goederen, die voornamelijk in Putten, Nijkerk, Ermelo en Voorthuizen te vinden zijn. Veel van de oude horige verplichtingen waren in natura maar zijn omgezet in geldelijke betalingen. Het bezit van een horig goed is feitelijk een levenslange erfpacht geworden, die kan vererven op de kinderen. De jaarlijkse hoofdtins, een personele belasting, en stedigheden, zoals de tweejaarlijkse afdracht van een deel van de oogst, dienen nog wel steeds op tijd betaald te worden. Dat geldt ook voor de zesjaarlijkse oprukking (zes jaar uitstel voor de bezitter om horig te worden naar de natuur van het goed) en de keur of het versterf (het beste stuk uit de nalatenschap van de bezitter, meestal de waarde van een paard of een koe) van de overleden horige. Ook wanneer het goed door de bezitter geheel of voor een deel wordt verpand aan geldschieters voor het verkrijgen van een lening kan dat niet buiten het klooster om. Er dient betaald te worden voor de registratie van de verpanding. Aan het begin van de 18e eeuw ondervond Aelt Stevensen hoe snel zijn schuld kon oplopen toen hij niet steeds op tijd voor al deze oude verplichtingen van de horigheid kon of wilde betalen. De horigheid was misschien in zijn nadagen, maar nog lang niet verdwenen.

Lees verder

Protocol van Bezwaar van Putten 1675-1733

In 1675 schreven de Gedeputeerde Staten van het Kwartier van Veluwe voor dat alle rechtshandelingen betreffende onroerende goederen moesten worden vastgelegd in registers, de protocollen van bezwaar. Het doel was om steeds duidelijk te kunnen vaststellen wie de eigenaren van huizen, boerderijen en landerijen waren. In 1733 bepaalde het Kwartier dat de protocolhouders de originele registers moesten bewaren en de Gedeputeerde Staten een kopie daarvan zouden ontvangen. Naar aanleiding daarvan zijn de inschrijvingen uit 1675-1733 gekopieerd. Het Protocol van Bezwaar van Putten met de inschrijvingen uit deze periode is in het Gelders Archief te vinden onder: archieftoegang 0008 Staten van het Kwartier van Veluwe en hun Gedeputeerden, inv. nr. 878 Putten, 1675-1733 (1 deel) ([GA PROT] inv. 878). In archieftoegang 0203 ORA Veluwe en Veluwezoom is geen origineel van deze periode aanwezig. Wel van de latere jaren van 1733-1811.

De afgelopen tijd is gewerkt aan een transcriptie van dit protocol van Putten. Tussen 1675 en 1733 werden bijna 600 akten geregistreerd. De transcriptie beslaat ruim 200 pagina’s en levert vele nieuwe inzichten op in de eigendomsverhoudingen in Putten in die tijd, zodat het ‘gat van Putten’ weer iets gevuld kan worden. Voorbeelden van nieuwe gegevens zijn die over vrije allodiale deelbare goederen: Allermolen, Kleine Steenenkamer, Klein Vaneveld, Langebroek, LorthoornRosenhoef en Stormbroek. Aanvullingen zijn bijvoorbeeld te vinden voor het leengoed Schoonderbeek en ‘fragment 21’, het nageslacht van Bia Helmers en haar man Bernt van Rympeler. De getranscribeerde akten zullen worden verwerkt in de webpagina’s over goederen en genealogieën.

 

Het Gat van Putten

Genealogen duiden met de term het ‘Gat van Putten’ op het gemis aan doop- en trouwboeken van Putten over de periode 1665 tot 1706. De overlevering wil dat deze boeken in vlammen zijn opgegaan tijdens de brand van het molenhuis van de molen ‘Het Hert’ aan het eind van de 19e eeuw. Hendrik van de Poll, secretaris van de Hervormde Kerkvoogdij, had de boeken op de molen. Doop- en trouwboeken vormen primaire bronnen voor het onderzoek naar voorouders in Putten. Door dit gat is het moeilijk om voorouders uit de 18e eeuw te koppelen aan Puttenaren die voorkomen in de doop- en trouwboeken van de eerste helft van de 17e eeuw. Wanneer voorouders achternamen voeren zoals Wijnkoop, Vliek of Van Diermen is dit gat vaak nog wel te overbruggen, maar wanneer voorouders alleen met patroniemen door het leven gaan als Jan Hendriksen, Aart Jansen, Marritje Gerrits e.d. dan wordt de bewijsvoering voor zo’n koppeling erg lastig. Genealogen moeten dus op zoek naar secundaire bronnen die mogelijk licht kunnen werpen op familierelaties in de periode tussen 1665 en 1706.

Lees verder

Anna’s nageslacht te Amersfoort

Nageslacht van Anna N., gehuwd met Aelt Jansen

Aanknopingspunten voor het nageslacht van Anna, de vrouw van Aelt Jansen zijn aanwezig in de fragmenten 46, 547 en 718 (1). Deze fragmenten leiden naar Nijkerk, Amersfoort en Harderwijk. Met dochter Anna Aeltsen krijgen we wat meer zicht op deze familie. Anna Aeltsen, dochter van Aelt Jansen en zijn vrouw Anna, werd vermoedelijk rond 1530 geboren. Zij was keurmedig, omdat haar moeder Anna een keurmedige was van het klooster te Paderborn. Haar rechten en plichten werden geadministeerd door de Kelnarij van Putten. Ook haar vader Aelt Jansen was keurmedig, vermoedelijk omdat hij zoon was van een keurmedige moeder. Anna’s moeder en broer overleden in het midden van de zestiende eeuw; haar moeder Anna in of vóór 1546 en haar broer, Aelt Aeltsen in of vóór 1558. Haar broer Aelt Aeltsen was kleermaker (sartor) net zoals Anna’s man Otto, die Otto Snijder genoemd werd. Deze familie woonde in Nijkerk in de buurt van Jan van der Hell. Anna had bij Otto Snijder zes keurmedige dochters. Van deze dochters trouwt Aelheit Otten met Daem Willemsz. Daem Willemsz woont in Amersfoort en behoort tot een familie van succesvolle ambachtslieden en is verwant aan de familie Zoest/Soest. Deze familie komt dan ook regelmatig naarvoren bij transacties, volmachten en verkopingen. Uit de verschillende transportakten en notariële transacties blijken nakomelingen verwant te zijn met Amersfoortse geslachten, zoals Verschuijr/Van der Schuer, Both, Schrassert en Vosch.

Zie verder fragment 46.

Bitterschoten

Een korte beschrijving van de opbouw van genealogisch fragment 71. Dit fragment betreft keurmedigen, die eigenaren en bewoners waren van de abtsgoederen Groot en Klein Bitterschoten in de buurschap Glinde te Barneveld.

Bronnen
In het Archief van de Kelnarij van Putten bevinden zich ruim 800 genealogische fragmenten van keurmedigen, die ontsloten worden door een tweetal indexen. (1) Omdat deel 1 is verdwenen, kunnen de genealogieën 1 t/m 445 allereerst via de index op deel 1 gereconstrueerd worden. De index is een alfabetische, chronologische lijst op de voornamen van de personen die generatiegewijs in een genealogie voorkomen.

De reconstructie kan verder ondersteund worden met behulp van vele fragmenten van genealogieën van keurmedigen, die opgesteld werden in verschillende series 1, 2, 3, etc, A, B, C, etc, en grote folio’s genummerd alpha, beta, gamma, etc. (2).

In deze bundel losse stukken is ook een lijst aanwezig, getiteld ‘pagina collata’, die de verschillende losse fragmenten aan elkaar koppelt met nummers: Num 1, Num 2, etc. Hierdoor ontstaan grotere genealogieën.

Het beste valt deze werkwijze te demonstreren aan de hand van een voorbeeld van een aantal keurmedigen, die eigenaren waren van Groot en Klein Bitterschoten.

Lees verder

De familie Bor

De onderstaande afbeelding is een kopie van een aantekening betreffende de familie en nakomelingen van Bor Jansen Costers te Bennekom (1).

Amersfoort 464-689

De tekst luidt:

464,689

NB inquir[end]a istii (doorgestreept)

              evers          a viro Bennku[m] bij Velthuis[en]
Reyniken Borre         de Eda q. habita
vit 1553 to Amersfort ibi[dem] nupta

credo est frater p[rae]dicta
an (doorgestreept) Derick Borre illi vel nupta
vel ex ea natus. qui Derrick est parens Casijn een lakencopers

habuit praedicta Reinken een
moye in Amsfort dictam
Elysabet Evers, obijt 1543
ibid[em] cormeda sol[uta]

fratres Derick Borre de Lakencopers sunt
Goerdt Borre senior
Gijsbert to Amsfort
Peter ibid[em]
et sunt plures quoru[m] nota[n]t[u]r aliqui solvisse
et sunt filii van Borre Janssen Costers
to Benneku[m]

Aangevuld met gegevens uit het register van overleden keurmedigen (2) zijn voldoende aanknopingspunten aanwezig voor het digitaal zoeken in de notariële en transportakten in het Archief Eemland. De moeder van Borre Jansen was Elbertgen Evers, dochter van Evert Gerritsen en Deusken. Zij en haar moeder waren keurmedigen van de Kelnarij van Putten. De nakomelingen van Elbertgen Evers en haar man Bor Geurtszn. zijn aanvankelijk in Amersfoort terug te vinden. Later komen zij in Utrecht en elders voor.

Zie: fragment 464.

  1. [GA AKP] inv. nr.  257: Amersfoort 464.
  2. [STAMA 434]